Seksueel geweld

De wereld van Terra 7 is allesbehalve vredig. Volken zijn vijanden en gebruiken geweld tegen elkaar. Dat is niet alleen met wapens op een slagveld, maar vaak veel wreder. Waar ongelijkheid en onderdrukking is, is ook seksueel geweld.

Het is een van de meest duistere kanten van ons mens-zijn en het komt overal ter wereld voor. Zodra een groep een andere groep overheerst, gaat het mis. Er zit een perverse kant in de mens die altijd weer de kop op steekt en dus ook bij de bewoners op Terra 7. Je kunt je uiterlijk veranderen en met de beste bedoelingen een nieuwe samenleving willen stichten, vroeg of laat komt de menselijke aard weer boven.

Ik kan me niet voorstellen dat ik een ander op die manier geweld aan zou willen doen. Dat is niet alleen omdat ik een vrouw ben. Denk aan wat je nu hoort over IS-vrouwen die een grote rol speelden bij het seksueel misbruik van tot slaaf gemaakte Jezidi vrouwen. Vrouwen zijn op dit vlak geen heiligen. Als ik er over spreek met mannen in mijn omgeving dan kunnen zij het zich ook niet voorstellen. Toch zijn het hele gewone mannen die in de idiotie van een oorlog tot vreselijke misdaden instaat zijn. Het is iemands zoon of man. In een oorlog worden niet alleen slachtoffers ontmenselijkt, ook bij de daders is dat gebeurd.

Seksueel geweld bestaat, maar waarom er over schrijven? Dat heeft vooral te maken met hoe het verhaal van Terra 7 is ontstaan, namelijk tijdens de oorlog in voormalig Joegoslavië in de jaren-90. Die oorlog schokte me, vooral omdat het zo dichtbij was. Ook in Europa konden buren ineens vijanden worden en elkaar verschrikkelijke dingen aandoen. Verhalen over moorden, verminkingen en verkrachtingen kwamen bijna dagelijks langs. Ik wilde begrijpen hoe dat kon gebeuren en als een soort gedachtenexperiment bedacht ik een wereld op een andere planeet waarbij verschillende groepen steeds extremer werden en met elkaar in oorlog raakte. Er kwamen personages bij en Aardse wetenschappers, die zonder het te willen, betrokken raakte bij die wereld. Via hun ogen bekeek ik het conflict, maar al snel ook via die van de verschillende bewoners van de planeet zelf.

Geweld beschrijven is niet makkelijk en al helemaal niet bij seksueel geweld. In het eerste boek gaat het meer om ongewenste intimiteiten, maar in het tweede gaat het een stap verder. Daarin leer je Bridget kennen; een vrouw die getraumatiseerd is geraakt, onder andere door een verkrachting en bijna weer in zo’n situatie terecht komt.

In het derde boek breekt de oorlog echt uit, belanden belangrijke personages er middenin en krijgen zij ook met verschillende vormen van geweld te maken. Net als het tweede boek ga ik dit deel volledig opnieuw schrijven. Het wordt voor mij echt zoeken naar de juiste toon: geen sensatie, ook niet te afstandelijk, sommige dingen wel beschrijven en andere juist weer niet.

En wat heb ik uiteindelijk geleerd van mijn gedachtenexperiment over Terra 7? Vooral dat we allemaal een duistere kant hebben en instaat blijken afschuwelijke dingen te doen. In extreme situaties doen we extreme dingen. We hebben echter ook een enorme veerkracht. Er zijn altijd mensen die tegen alle tegenwerking in blijven vechten voor wat goed is. Die dat wat kapot is, weer willen maken. Zij zijn de hoop voor na de oorlog.

Deze column is verschenen in Celtica’s Magazine van november 2019.

De negatieve modus

Ik ben van nature een optimist. Ik heb altijd wel ideeën en plannen en als iets niet lukt of tegenzit ben ik goed in het verzinnen van oplossingen. Daarnaast worstel ik al mijn hele leven met depressies. Met name in de wintermaanden heeft het grote invloed op mijn denken. De laatste jaren wist ik het te onderdrukken met medicatie, maar door een toename van bijwerkingen ben ik daar mee gestopt en moet ik er weer zelf mee omgaan.

Cover van Celtica's Magazine editie september 2019.

Omdat ik er al mijn hele leven mee te maken heb (het begon ongeveer toen ik negen jaar oud was), ken ik het goed en heb ik mezelf geleerd er met afstand naar te kijken. Die afstand helpt om de gedachten en gevoelens die door de depressie in het negatieve getrokken worden met meer realisme te aanschouwen. De depressie is een onderdeel van mij, maar maakt mij niet wie ik echt ben. De depressie kleurt mijn persoon in, alsof er een deel van mij met grijs potlood wordt ingevuld. Ik kan het potlood niet uitgummen, maar er wel onder kijken en zien wat het doet. Bovendien weet ik door ervaring dat een depressie weer weggaat. Mijn eigen bontgekleurde zelf komt dan terug.

Een depressie kent gradaties. Op een schaal van 10, met de 1 als het ergste, zit ik nu op een 5,5 en tegen een depressie aan. Ik noem het de ‘negatieve modus’. Nog niet zwaar genoeg om een depressie te heten, maar alles wat ik hoor, denk of voel gaat wel door een negatief filter. Het is vermoeiend. Ik ben continu negatieve gedachten aan het bijstellen en een opmerking van een ander kan ineens heel hard bij mij binnenkomen en een lading krijgen die de zender er zeker niet mee bedoelt heeft. Een lastige situatie, helemaal nu ik bezig ben met mijn boek na redactie. Toch lukt het me wel en dat voelt goed. Het geeft vertrouwen dat ik, ondanks deze handicap (want dat is), toch door kan met schrijven.

De rede waarom ik er over schrijf in deze column is dat ik weet dat ik niet de enige ben die hier last van heeft. In Nederland krijgt bijna 20 procent van de volwassenen (18-64 jaar) ooit in het leven te maken met een depressie (bron Trimbos instituut). Zeker voor mensen die het voor het eerst meemaken, is het een beangstigende ervaring. Het is heel raar als je hoofd een loopje met je neemt en je niet zelf instaat bent om het te stoppen. Wat ik geleerd heb, is dat je het misschien niet kunt stoppen, maar dat je ook niet machteloos bent, zelfs als je je wel zo voelt. Je bent niet alleen, je kunt er mee leren leven en het gaat vrijwel altijd weer over. Zoek hulp, praat er over en voor de mensen uit iemands omgeving, sta open om te luisteren.

Deze column is verschenen in Celtica’s Magazine van september 2019.

Stiefmoeder

Ik ben stiefmoeder van drie dochters van inmiddels 24 (tweeling) en 27 jaar oud. Ik kwam in hun leven toen ik dertien jaar geleden mijn man leerde kennen. Ik weet dat het officiële woord voor onze relatie stiefmoeder is, maar ik heb een hekel aan het woord. Dat komt omdat ik het associeer met sprookjes als Assepoester of Sneeuwwitje. Ik probeer het woord zo veel mogelijk te vermijden, maar dat is best lastig.

Bij oppervlakkige aangelegenheden zeg ik gewoon dat ik hun moeder ben of dat ik drie dochters heb. Echt gelukkig ben ik daar niet mee, want dan voelt het toch alsof ik hun biologische moeder tekort doe. Nu kunnen kinderen best twee moeders hebben, maar dat past beter bij relaties waarbij de moeders ook een stel vormen. Het gebruik van ‘moeder’ voelt alsof ik iets oneigenlijks doe. Als mij gevraagd wordt of ik kinderen heb, zeg ik dat mijn man drie dochters heeft. Zo is de situatie meteen duidelijk. Maar ook dat voelt niet goed, want doe ik daar mezelf niet tekort mee? Het zijn niet zomaar alleen de kinderen van mijn man. Het zijn de enige kinderen die ik in mijn leven heb en ik hou zielsveel van ze.

Ik schrijf sciencefiction en fantasy en binnen het fantastische genre moet je regelmatig zelf woorden voor iets verzinnen. Niet altijd makkelijk, maar wel leuk om te doen. In de wereld van Terra 7 komen de bewoners van de planeet oorspronkelijk van de aarde en hebben nieuwe namen en woorden een link met waar ze oorspronkelijk vandaan komen. Bijvoorbeeld de Terrazones, een matriarchaal jagersvolk van vrouwelijke strijders (terra-amazones). Hun rijdieren heten zampala’s en lijken op een kruising tussen een impala en zebra. Sommige woorden zijn helemaal nieuw, zoals het scheldwoord ‘vuile dullak’ (een dullak is een dier dat op verrot vlees lijkt, inclusief de geur, zodat het insecten aantrekt waar het van leeft).

In de ‘echte’ wereld is het een stuk lastiger om nieuwe woorden te introduceren. Zoeken op synoniemen kan helpen. Doe je dat met het woord stiefmoeder op synoniemen.net dat krijg je geen resultaat te zien. Ook mijn Prisma synoniemenboek biedt geen soelaas. In het Woordenboek der Nederlandsche Taal staat de term ‘tweede moeder’ als alternatief, maar dat voldoet naar mijn gevoel niet. Het is meer een omschrijving, dan een synoniem.

Google helpt. Er komen diverse opties voorbij waaruit blijkt dat mijn geworstel met het woord stiefmoeder allesbehalve uniek is. Dat kan ook niet anders als het stiefmoederschap zo vaak voorkomt. Er blijkt zelfs een heuse Stichting Stiefmoeder. Deze stichting hield op 14 april 2012 een ‘stiefmoederdag’ met het verzoek voor een betere naam voor het woord stiefmoeder. Als positieve termen werden de volgende namen gekozen: bonusmoeder, cadeaumoeder, interim-mam en plusmoeder.

Interim-mam valt wat mij betreft meteen af. Het klinkt als iets tijdelijks en dat is het niet. Cadeaumoeder is me wat te veel. Ik weet zeker dat ik niet altijd een cadeautje was voor de meiden, en terecht! Soms was ik mede-opvoeder en dan kun je niet altijd aardig blijven. In een gezin moet je gewoon met elkaar dealen, inclusief elkaars onhebbelijkheden, dus ook die van mij. Over plusmoeder twijfel ik, net als bonusmoeder. Een supermarktassociatie komt bij mij boven, alsof ik een soort aanbieding was.

Ineens denk ik aan een ander woord: extramoeder. In mijn uitleg aan anderen zeg ik altijd dat mijn kinderen een vader, een moeder en twee extra’s hebben. Waarom dan niet het woord ‘extramoeder’ en ‘extravader’? Ik ga het gewoon uitproberen. Ik denk dat iedereen meteen weet wat ik bedoel. Of het echt beter is dan bijvoorbeeld bonusmoeder, weet ik niet. Het voelt tot nu toe het beste.

Al is het allerbelangrijkste niet in woorden uit te drukken. Ik weet wat ik voor de meiden beteken. Ik vergeet nooit meer de moederdag waarop ik voor het eerst van een van hen een bos bloemen kreeg. Zo zijn er tal van momenten waaruit blijkt wat we van elkaar zijn: familie. Met straks een familielid erbij, ik word extra-oma. Al denk ik dat het woord extra bij een volgende generatie wel weg kan. Gewoon oma Esther, klinkt goed.

Deze column is verschenen in Celtica’s Magazine van juli/augustus 2019.

De kracht van ontkenning

Onlangs bekeek ik de eerste twee afleveringen van de serie Chernobyl (HBO, nu te zien op Ziggo). Een indringende serie en een prachtige demonstratie van hoe de menselijke geest werkt.

Omdat volgens de leidinggevende van de kerncentrale (en later ook van andere mensen in de keten) een ontploffing in de kernreactor onmogelijk is, kan het niet waar zijn. Ook als anderen (ooggetuigen) vertellen dat het wel zo is. Wat volgt is een opeenstapeling van onbegrijpelijke beslissingen en fouten die vele mensen het leven kost. Bijna volledig ad-hoc wordt een grotere kernramp voorkomen.

Wat hierin meespeelt is dat radioactiviteit onzichtbaar is. Dat iets dat je niet kunt zien gevaarlijk kan zijn, wil er bij veel mensen niet in. Daarbij komt dat ontkenning vaak makkelijker is dan aanvaarding. Als je iets aanvaard moet je de consequenties onder ogen zien. Die kunnen veel omvangrijker zijn dan we zelf kunnen of willen overzien. Zeker in een totalitaire staat als de voormalige Sovjet Unie waar je meedogenloos wordt afgerekend door iemand boven je en tegenspraak niet gebruikelijk is.

Maar ook op persoonlijk vlak ken ik de kracht van ontkenning. Vele jaren geleden was ik op skivakantie met mijn familie. Halverwege de laatste afdaling op onze laatste vakantiedag bleef mijn linkervoet met ski steken in de sneeuw tijdens het maken van een bocht. Ik viel en voelde een felle, stekende pijn in mijn linkerenkel. Het was een pijn die ik niet kende en ik wist dat er wat mis was, maar het drong niet tot mij door.  Dat bepaalde ook de reactie van het groepje waar ik mee op weg was. Ze wezen me naar een restaurantje aan de overkant van de pieste waar ik een taxi kon bellen. Ik ben er alleen naar toegelopen met mijn ski’s en heb een taxi mij naar het dal laten brengen waar mijn vader mij zou ophalen. Ook daar heb ik rondgelopen. Eenmaal in ons appartement deed ik mijn skischoen uit en zag het bot van mijn linkerenkel naar buiten steken (alleen mijn huid hielt het tegen). Op dat moment vroeg ik mijn vader om toch maar even naar het ziekenhuis te gaan. Pas toen ik de röntgenfoto zag, aanvaarde ik dat mijn enkel echt gebroken was.

Dit is een voorbeeld zonder grote consequenties voor anderen en met mijn enkel is het helemaal goed gekomen. Het heeft me wel veel geleerd. Ook ik ben in staat om iets totaal te ontkennen (inclusief verdringing van helse pijn) en zelfs zonder duidelijke reden kan dat gebeuren (iets breken tijdens een skivakantie is niet erg ongewoon). Het is een ervaring die ik gebruik in mijn verhalen. Mijn personages komen in verschrikkelijke situaties terecht en ze gaan daar allemaal op hun eigen manier mee om. Een daarvan is ontkenning. Zeker als je als lezer of kijker wel weet hoe het zit, is dat best moeilijk om te aanschouwen. Je zou tegen het personage willen schreeuwen om het probleem onder ogen te zien.

Deze column is verschenen in Celtica’s Magazine van juni 2019.

Collega’s

Zijn andere auteurs je collega of je concurrent?

Ik heb zelf nooit getwijfeld over het antwoord: collega. Lezers lezen immers veel meer boeken dan ik ooit kan schrijven en hoe meer ze mijn genre (sciencefiction en fantasy) ontdekken, hoe beter dat is. De kans is dan groter dat ze ook een keer mijn boek lezen.

Het Nederlandse taalgebied is relatief klein (Nederland en Vlaanderen) en binnen dat gebied lezen ook nog veel mensen in een andere taal: vooral Engels, maar ook Frans en Duits. Nederlanders lezen veel. We staan op nummer 2 van Europa. Acht op de tien Nederlanders lazen in 2018 een boek, waarvan drie op de tien dagelijks. Het liefst lezen we spannende boeken, daarna literatuur en het informatieve boek (bron: KvB Boekwerk & GfK, 2018, meting 43). Al met al schrijven auteurs dus voor een grote groep.

Op een beurs verkoop ik met veel plezier de boeken van de andere auteurs. Elk verkocht boek versterkt de uitgeverij en maakt het waarschijnlijker dat er geld is voor mijn volgende boek. Natuurlijk vind ik het het leukst als iemand mijn boek koopt (en ik mag signeren, iets wat als een echte eer blijft voelen), maar ik realiseer me ook dat nog steeds veel mensen een beetje huiverige zijn voor sciencefiction.

Die onbekendheid met sciencefiction is een van de redenen waarom ik samen met twee andere schrijvers (Johan Klein Haneveld, uitgegeven bij Macc en Godijn Publishing en Johan Bakker, uitgegeven bij Zilverbron) SF promoot bij boekhandels d.m.v. een lezing, een discussie en met muziek. Het is meteen een mooi voorbeeld van hoe je elkaar als collega’s kunt versterken.

Een ander voorbeeld daarvan is dat twee schrijvers van Celtica Publishing (Patty van Delft en Jeffrey Debris) mij helpen met mijn tweede boek door proef te lezen. Peter Varg deed dat eerder bij een kort verhaal. Auteurs geven feedback op bijvoorbeeld een achterflaptekst en delen schrijftips met elkaar tijdens evenementen. Zo is er echt spraken van een “team Celtica”.

Om een betere schrijver te worden, ben ik lid geworden van een schrijfgroep met andere auteurs. Sommige hebben al een boek gepubliceerd, anderen werken er nog aan. Onder leiding van Elly Godijn (jawel, van Godijn Publishing) geven we feedback op fragmenten van elkaars werk en doen we schrijfopdrachten. Daarbij is het extra interessant dat het om verschillende genres gaat.

Is er dan helemaal geen sprake van concurrentie? Natuurlijk wel. Tijdens een evenement heb je toch het liefst dat ze naar onze kraam komen. Verder is het altijd onverstandig om met collega’s over verkoopcijfers te praten. Daarnaast zijn de meeste auteurs gepassioneerde persoonlijkheden en dus wordt er wel eens op tenen getrapt, ontstaan er oeverloze discussies of onenigheid over bijvoorbeeld recensies. Auteurs, het zijn net mensen…

Deze column is verschenen in Celtica’s Magazine van mei 2019.

Het wonderlijke leven van personages

Het is het meest bijzondere aan schrijven: het tot leven brengen van personages.

Vaak zijn zij waar het verhaal voor mij mee begint. Als schrijver zit je in het hoofd van al die entiteiten, want het zijn lang niet altijd mensen als je in het fantastische genre schrijft. Artifical Inteligence, een buitenaards wezen, een persoon met bijzondere gaven, een elf, een kwaadaardige geest; het kan allemaal. Of ze ook echt gaan leven hangt af van de eigenschappen die je hen geeft. Welk karakter hebben ze? Wat is hun achtergrond en wat hun motivatie om de dingen te doen zoals ze ze doen?

Om mijn personages tot leven te brengen, bedenk ik vaak veel meer om ze heen dan ik uiteindelijk in het verhaal zelf beschrijf. Een personage heeft achtergrond nodig. Ik bedenk waar ze geboren zijn, hoe hun jeugd was en welke ervaringen ze hebben opgedaan voor hun avontuur begint in het verhaal waar ze een rol in spelen. Bij personages die een hoofdrol spelen is dat vrij uitgebreid, bij kleinere rollen heel summier.

Vooral bij de slechteriken is het goed te bedenken waarom iemand tot slechte daden overgaat. Is het hebzucht, wraak, een stoornis? Waarom is iemand wreed? Kan ik mezelf voorstellen waarom ik een ander pijn wil doen of zelfs een heel volk wil uitmoorden? Het betekend ook dat je naar de duistere kanten van jezelf durft te kijken. Want ook al heb je zelf het morele beseft dat wat het personage doet slecht is, toch is het mijn creatie en daarmee mijn eigen donkere fantasie. Ik ben degene die dit kwaad los laat in de wereld die ik gemaakt heb.

Waar je voor op moet passen zijn je eigen vooroordelen. Waarom maak ik iemand een man of een vrouw? Wat is zijn of haar geaardheid? Zijn alle elfen goed en alle orcs slecht? Ziet een buitenaards wezen er ongeveer net zo uit als wij of kan dat ook heel anders zijn? Het mooie van het schrijven van fantasie is juist dat het je dwingt om buiten de bekende paden te wandelen.

Als personages eenmaal vorm hebben gekregen, gaan ze leven en soms ook een eigen leven lijden. Dat is het meest wonderlijke aan schrijven: dat je verrast wordt door je eigen personages en verhaal. Ze doen soms net even iets anders dan aanvankelijk gedacht en als je dat laat gebeuren, weet je ook dat het klopt. Dingen in je verhaal vallen er door op zijn plek. Jammer voor je verhaallijn of van die mooie scene die je verder in het verhaal verzonnen had. Het moet aangepast of er uit. Soms vraag ik me wel eens af of ik als schrijver wel de baas ben over mijn eigen creaties…

Deze column is verschenen in Celtica’s Magazine van april 2019.

Bridget

In deel 2 van de Terra 7 trilogie Het Huis van de Roos maak je kennis met Bridget, een verzetsstrijder van het Noordelijk Verzet.

Ze is een van die personages die aanzienlijk complexer is geworden tijdens het opnieuw schrijven van het manuscript. Bridget is een sterke vrouw die door haar werk en ervaringen voor het verzet ook beschadigd is geraakt. Ze is van gemengde afkomst: haar moeder is Afraans en haar vader Nard. In de sterk gepolariseerde samenleving op Terra 7 worden ze bastaards genoemd en vaak gediscrimineerd. Veel bastaard sluiten zich aan bij het Verzet, omdat daar officieel geen onderscheid gemaakt mag worden op basis van je geslacht, afkomst of geaardheid. De werkelijkheid is weerbarstig.

Deze anekdote over Bridget op de markt in de Nardse hoofdstad Lina geeft je een idee van wie ze is:

En weer negeerde de groenteverkoper haar. Het was dat deze kraam als enige in Lina vers zweefblad verkocht, anders was Bridget wel naar een ander gegaan. ‘Vuile dulak*’, mompelde ze binnensmonds. Het was wel duidelijk dat deze Nard niets van bastaards moest hebben. Alsof ze minder mens was met een Afraanse moeder en Nardse vader.

Zweefblad. Ze wist dat ze er niet teveel van moest gebruiken, maar het was het enige dat haar nog een gevoel van ontspanning gaf. Met zweefblad verdween de knoop in haar maag, de pijn in haar schouders en hoefde ze even niets te voelen. De drug hield haar op de been, hoe tegenstrijdig dat ook was. Als ik mezelf weer ben, stop ik er mee.

Toen de verkoper klaar was met zijn klant en weer een ander wilde helpen, sprong Bridget ervoor. De Anatoolse zette van schrik een stap op zij.

‘Ik ben nu aan de beurt.’

‘Je wacht maar bastaard’, zei de man.

‘Ik wil een zak zweefblad, hoeveel kosten ze?’

‘Vijftig dollar.’ De grijns op het gezicht van de man maakte het maar al te duidelijk dat dat een veel te hoge prijs was voor zijn waar.

‘Je krijgt tien’, zei Bridget en ze zorgde ervoor dat terwijl ze haar geld pakte, de man haar energiepistool kon zien. Ze wachtte verder niet af, griste een zak zweefblad van de kraam en liep weg. Vuile dulak.



* Een dier dat ruikt naar rottend vlees, omdat het leeft van de insecten die het daarmee aantrekt.

De Nederlandse taal

De Vrije Universiteit in Amsterdam stopt na honderd jaar met de bachelorstudie Nederlands, stond onlangs in de krant.

Naar mijn idee past het bij andere zaken die mij opvielen het laatste jaar. Zoals mijn neefje die Spaans studeert in Nederland en in het Engels les krijgt of een winkelstraat in Den Haag met alleen maar teksten in het Engels op de ruiten (alsof een buitenlander pas ziet dat het om een bakkerij gaat als er bakery op staat). Ook hoor ik achter de boekenkraam regelmatig van lezers dat ze alleen maar in het Engels lezen.

Waarom hebben Nederlanders zo weinig op met hun eigen taal? Ik geef toe, het is geen gemakkelijke taal. Veel onregelmatigheden en met mijn dyslexie worstel ik er dagelijks mee. Toch is het wel de taal waar ik me het beste in kan uiten. Het is een belangrijk onderdeel van wie ik ben, van mijn identiteit. Waarom dan toch alles in het Engels?

Engels is een prachtige taal. Helaas heb ik geen talenknobbel, want ik had graag nog meer talen willen beheersen. Als ik in een ander land ben doe ik mijn best om basisbeleefdheidsvormen uit te kunnen spreken, zoals de lokale equivalent van goedemorgen of dankjewel. Ik koop vaak een talenboekje en vind het leuk dat door te bladeren. Het hoort bij de lokale sfeer proeven. Taal is een onderdeel van de cultuur van een land.

Ik ben er helemaal voor dat we al jong een tweede taal leren, maar niet dat dat ten koste gaat van onze eigen taal. Prima als je Engelse boeken leest (lezen is altijd goed), maar er is ook veel moois in het Nederlands. Ik heb ooit gehoord dat SF in het Nederlands niet kan, maar dat is echt onzin. Waarom niet gewoon wormgat in plaats van wormhol? En ja, ik zie scenes vaak voor me in het Engels (ongetwijfeld door de vele Engeltalige films), toch beschrijf ik die scenes het beste in het Nederlands.

Kunnen we de teloorgang van de Nederlandse taal stoppen? Volgens mij begint dat bij het onderwijs. Dat Internationale studies in het Engels zijn, lijkt me logisch, maar doe dan de overige studies gewoon in onze eigen taal. Maak het vak Nederlands weer leuk door veel meer aandacht te geven aan schrijven en het lezen van boeken van Nederlandstalige schrijvers die een leerling echt interessant vindt. De verplichte leeslijst de deur uit en meer oog voor fantastische boeken. Het merendeel van Netflix is tegenwoordig SF/fantasy, dan lijkt het me dat er toch ook genoeg belangstelling moet zijn voor boeken binnen dat genre. En bij het lezen van een boek, maak je je eigen film in je hoofd. Daar kan Netflix echt niet tegenop.

Deze column is verschenen in Celtica’s Magazine van maart 2019.

Een nieuw verhaal

Ik kan niet goed uitleggen hoe het werkt. Opeens is het er: een nieuw idee voor een verhaal. Soms zo complex dat het wel een boek moet worden, een andere keer niet meer dan één scène.

Als het eenmaal in mijn hoofd zit, moet het er uit. Het kan zelfs het verhaal waar ik op dat moment aan werk in de weg zitten. Er zit dan niets anders op dan het idee op te schrijven. Het kan zelfs nodig zijn om ook een deel van de tekst uit te werken. Pas daarna kan ik het parkeren en weer verder met waar ik mee bezig was. Als ik dat laatste niet zou doen, zou ik nooit iets af maken.

Het zijn vrijwel altijd fantastische verhalen. Dat is blijkbaar hoe mijn geest werkt. De vraag “wat als?” speelt altijd een grote rol. Wat als je geest nog kan blijven ronddwalen na je dood, zou je dan nog iets voelen? Of als je de navigatie in je auto zo slim maakt dat het een eigen leven kan leiden? Wat als er parallelle werelden zijn, in welke zou ik dan willen leven? Zijn mensen instaat om zonder oorlog samen te leven? Hoe ziet een buitenaarts ras er uit?

Wat ik ooit gezien of gelezen heb, heeft invloed. Ik ben dol op fantasierijke films, series en boeken en heb er al aardig wat verslonden of bekeken. Ze hebben veel overeenkomsten en nog steeds verschillen. Dat laatste is best opmerkelijk als je bedenkt hoeveel er al is geschreven of gemaakt. In mijn eigen werk is het werk van anderen terug te vinden, maar wel met mijn twist. Het zijn immers mijn vragen waar ik zelf een antwoord op verzin. Je kunt best iets lenen van een ander (bijvoorbeeld het gebruik van ruimtevouwen of wormgaten om snel door de ruimte te reizen), maar ik gebruik het binnen de context van mijn verhaal (de unieke wereld van Terra 7).

Ik zit in een schrijversgroep. We komen één keer in de zes weken bijeen en leren van elkaar. Ik ben de enige die SF/fantasy schrijft. Veel van de andere deelnemers hebben nog nooit een boek in die stijl gelezen. Inmiddels krijg ik regelmatig, na het lezen van mijn teksten, de opmerking terug dat het net mensen uit deze tijd zijn. Dat is ook zo. De basis ligt altijd in de echte wereld, de fantasie is daar een reflectie van.

Goedbeschouwd is ieder boek en elk verhaal een wonder. Dat geldt voor alle vormen van fictie, maar in het bijzonder voor het fantastische genre. Dat is goed terug te vinden in de boeken van Celtica Publishing. Als lezer is ieder boek weer een portaal naar een andere en nieuwe wereld. Dat is precies waarom ik er zo dol op ben. Even lekker weg in je eigen hoofd.

Deze column is verschenen in Celtica’s Magazine van februari 2019.

Schrijver?

Kun je schrijver zijn als geschreven taal lastig voor je is?

Er is tekst dat ik niet kan lezen. Lange zinnen met veel informatie komen niet bij me binnen. Pas na een paar herhalingen heb ik een idee van wat er staat. Als ik voor mezelf de zin in stukjes heb gebroken en de essentie er uit heb gehaald. Een boek vol met dat soort zinnen lees ik niet.

Geschreven taal is voor mij een uitdaging. Waar anderen zien of een woord goed of fout gespeld is, zie ik dat niet. Ik moet de regeltjes blijven toepassen. Lastig, want ik heb moeite met onthouden. Bovendien hebben woorden de neiging om “zich niet te laten zien.” Ik weet welk woord ik wil gebruiken, maar kan mij niet herinneren hoe je het schrijft. Het lezen zelf kost mij meer tijd, alsof ik altijd een extra stap moet zetten om te begrijpen wat er staat. Een grote lap tekst kan daarom overweldigend zijn.

Een van mijn vroegste herinneringen was dat ik in het dagboek van mijn moeder keek. Ik was op de stoel geklommen van haar bureau en keek naar haar handschrift in dat boekje en wist: eens kan ik dit ook. Kan ik dit lezen en zelf mijn verhaal schrijven. Ik was twee jaar en de behoefte om te kunnen begrijpen wat daar stond was zo groot, dat ik het onthouden heb. In mijn babyboek schreef mijn moeder dat ik van lezen hield, ook al deed ik maar alsof. Pas op de lagere school was het zo ver en het ontrafelen van die prachtige tekens bleek een enorme opgave. Die eerste klas was een hel.

In de tweede klas had ik een lerares die heel anders met taal omsprong. Ze las geregeld voor en spoorde de kinderen aan zelf ook regelmatig te lezen. Thuis werd gelukkig veel voorgelezen. En ik hield van de verhalen. Ik zag in mijn hoofd wat er gebeurde, prachtig! Met mijn eigen fantasie ging ik er mee verder. Lezen werd leuk, ondanks de moeite die het me koste. Als ik een opstel schreef, was mijn spelling vreselijk, maar mijn verhaal goed.

Mijn vader spaarde sciencefiction en fantasy boeken, dus toen ik er oud genoeg voor was ging ik die lezen. Boeken van Jack Vance, Tanith Lee, Stephen King, Frank Herbert en natuurlijk Tolkien. Ook voor Nederlands en Engels moest ik lezen. Engels ging mij makkelijker af dan het Nederlands, want in mijn eigen taal ontdekte ik dat er nog steeds tekst bestond waar ik niet doorheen kon komen. Het maakte dat ik weinig liefde voelde voor de Nederlandse literatuur. Gelukkig was onze leeslijst vrij lang en stonden er boeken op die wel lukte.

Ik verzon nog steeds verhalen: met tekeningen erbij en vol spellingsfouten. Toen ik begin twintig ziek werd en moest overleven ben ik uit het niets aan een boek begonnen. In negen maanden schreef ik het verhaal over de mensen op Terra 7.

In de jaren daarna schreef ik voor mijn werk: persberichten, websiteartikelen, brochures, beleidsnota’s, jaarverslagen. In mijn vrije tijd vooral liedteksten. Nog steeds met spellingsfouten, dus ik had altijd iemand nodig die corrigeerde. Pas na 25 jaar pakte ik het verhaal over Terra 7 weer op, herschreef het en zocht een uitgever. Dat werd Celtica Publishing.

Kun je een boek schrijven als je sommige teksten niet kunt lezen? Ja, dat kan. Met een berg trucjes (bijv. op de computer in A5 werken, want minder tekst op een pagina) en nog steeds de hulp van anderen. Mijn spelling is zelfs verbeterd door het vele oefenen. Verwacht alleen van mij geen hoogdravende taal, met lange zinnen en veel informatie. Ik word dan ook erg blij als ik een lezer hoor zeggen dat mijn boek zo makkelijk te lezen is. Een groter compliment is er wat mij betreft niet.

Deze column is verschenen in Celtica’s Magazine van januari 2019.

1 2 3