Onzekerheid

Mijn tweede boek is uit. Na de blijdschap van het in handen hebben van je eigen boek, komt de volgende fase. Want als er iets is dat ik met zekerheid weet te voorspellen, dan is het wel dat ik mij vreselijk onzeker ga voelen na het uitkomen van een nieuw boek.

Het is echt doodeng: het verhaal waar je zo lang aan hebt gewerkt los laten in de wereld. Anderen gaan het lezen en vinden er vervolgens wat van. Hetzelfde gebeurd met proeflezers en tijdens redactie van mijn manuscript. Ook eng, maar lang niet zo spannend als dit moment.

Waarom is dat? Ik ben altijd bloednerveus voordat ik als zangeres, acteur of spreker op een podium stap. Het verschil is dat ik dat los kan laten als ik eenmaal aan mijn optreden begonnen ben. Ik ga op in mijn rol, welke dat ook is en kan er zelfs van genieten. Met een boek is het geen moment. Je bent er zelfs niet eens bij aanwezig. Je krijgt een berichtje als er een review geplaatst is en dat is het. Door mijn proeflezers en tijdens het redactieproces heb ik wel een idee van wat men van mijn verhaal vindt, toch is dat niet het zelfde.

De onzekerheid zit in mij en is ingebakken geraakt in mijn jeugd. Ergens in dat proces is het idee ontstaan dat niets wat ik doe, goed kan zijn. Zelfs goed mag zijn. Ik ben inmiddels bijna vijftig en de stemmen van de mensen die mij daar ooit van overtuigden zijn allang verstomd, maar af en toe hoor ik ze nog in mijn hoofd. “Je kan het toch niet.” “Hoe haal je het in je hoofd om boeken te gaan schrijven met jouw dyslexie!” “Hoe je ook je best doet, het is nooit goed genoeg.” Ze hebben een groot deel van mijn leven beïnvloed. Met de blik van nu zie ik het effect er van. De lastige relaties, de angst, de stress. Ik heb het voor een heel groot deel losgelaten. Dat kleine en onzekere meisje van toen, getroost met de vrouw die ik nu ben.

Maar af en toe is het er weer, vooral als ik iets doe dat niet goed is volgens die stemmen van vroeger. Als ik mijn nek uitsteek, mij niet laat weerhouden om dat wat ik belangrijk vindt aan de wereld te laten zien. Ik vind mijn verhaal het waard om gelezen te worden. Ik heb iets te vertellen en werk er hard aan om dat zo goed mogelijk op papier te zetten. Ik ben trots op wat ik doe!

De onzekerheid gaat niet weg. Wat ooit gezegd is en in mijn hoofd is gaan zitten, kan niet meer ongedaan gemaakt worden. Wat ik wel kan, is er zo min mogelijk naar luisteren en met opgeheven hoofd verder gaan met wat ik graag doe: de verhalen in mijn hoofd op papier zetten en delen met anderen.

Deze column is verschenen in Celtica’s Magazine van december 2019.

Seksueel geweld

De wereld van Terra 7 is allesbehalve vredig. Volken zijn vijanden en gebruiken geweld tegen elkaar. Dat is niet alleen met wapens op een slagveld, maar vaak veel wreder. Waar ongelijkheid en onderdrukking is, is ook seksueel geweld.

Het is een van de meest duistere kanten van ons mens-zijn en het komt overal ter wereld voor. Zodra een groep een andere groep overheerst, gaat het mis. Er zit een perverse kant in de mens die altijd weer de kop op steekt en dus ook bij de bewoners op Terra 7. Je kunt je uiterlijk veranderen en met de beste bedoelingen een nieuwe samenleving willen stichten, vroeg of laat komt de menselijke aard weer boven.

Ik kan me niet voorstellen dat ik een ander op die manier geweld aan zou willen doen. Dat is niet alleen omdat ik een vrouw ben. Denk aan wat je nu hoort over IS-vrouwen die een grote rol speelden bij het seksueel misbruik van tot slaaf gemaakte Jezidi vrouwen. Vrouwen zijn op dit vlak geen heiligen. Als ik er over spreek met mannen in mijn omgeving dan kunnen zij het zich ook niet voorstellen. Toch zijn het hele gewone mannen die in de idiotie van een oorlog tot vreselijke misdaden instaat zijn. Het is iemands zoon of man. In een oorlog worden niet alleen slachtoffers ontmenselijkt, ook bij de daders is dat gebeurd.

Seksueel geweld bestaat, maar waarom er over schrijven? Dat heeft vooral te maken met hoe het verhaal van Terra 7 is ontstaan, namelijk tijdens de oorlog in voormalig Joegoslavië in de jaren-90. Die oorlog schokte me, vooral omdat het zo dichtbij was. Ook in Europa konden buren ineens vijanden worden en elkaar verschrikkelijke dingen aandoen. Verhalen over moorden, verminkingen en verkrachtingen kwamen bijna dagelijks langs. Ik wilde begrijpen hoe dat kon gebeuren en als een soort gedachtenexperiment bedacht ik een wereld op een andere planeet waarbij verschillende groepen steeds extremer werden en met elkaar in oorlog raakte. Er kwamen personages bij en Aardse wetenschappers, die zonder het te willen, betrokken raakte bij die wereld. Via hun ogen bekeek ik het conflict, maar al snel ook via die van de verschillende bewoners van de planeet zelf.

Geweld beschrijven is niet makkelijk en al helemaal niet bij seksueel geweld. In het eerste boek gaat het meer om ongewenste intimiteiten, maar in het tweede gaat het een stap verder. Daarin leer je Bridget kennen; een vrouw die getraumatiseerd is geraakt, onder andere door een verkrachting en bijna weer in zo’n situatie terecht komt.

In het derde boek breekt de oorlog echt uit, belanden belangrijke personages er middenin en krijgen zij ook met verschillende vormen van geweld te maken. Net als het tweede boek ga ik dit deel volledig opnieuw schrijven. Het wordt voor mij echt zoeken naar de juiste toon: geen sensatie, ook niet te afstandelijk, sommige dingen wel beschrijven en andere juist weer niet.

En wat heb ik uiteindelijk geleerd van mijn gedachtenexperiment over Terra 7? Vooral dat we allemaal een duistere kant hebben en instaat blijken afschuwelijke dingen te doen. In extreme situaties doen we extreme dingen. We hebben echter ook een enorme veerkracht. Er zijn altijd mensen die tegen alle tegenwerking in blijven vechten voor wat goed is. Die dat wat kapot is, weer willen maken. Zij zijn de hoop voor na de oorlog.

Deze column is verschenen in Celtica’s Magazine van november 2019.

Blogtour Het Huis van de Roos

Terra 7 deel 2 Het Huis van de Roos is uit en dat vieren we onder andere met een blogtour!

Op 2 december de eerste recensie op de website van fantasywereld: “De scènes waarin Conrad undercover gaat tussen de Afranen, de heldhaftigheid van Bridget maar ook de LHBTI+ elementen die hierbij boven komen, de plot met Redbod en Belia, en de Romeo & Julia-achtige aspecten die op de achtergrond van het derde deel van het boek plaatsvinden, het werkt allemaal. ” ★ ★ ★ ★ ☆

Op 10 december de tweede recensie van The Book Dragons Nook: Wat vind ik dit een waanzinnig goed boek! Echt wauw, binnen no time zat ik weer helemaal in het verhaal en leefde ik volledig mee met de personages.”
“Ik kan dit boek dan ook zeer zeker aanraden voor scifi fans, maar ook voor de fantasy liefhebbers. Deze twee genres zijn zo goed met elkaar verweven in deze serie dat het gewoon echt genieten is. ”
★ ★ ★ ★ ★

Cover Het Huis van de Roos

Daar is ie dan eindelijk: de cover van mijn tweede boek en tweede deel van mijn Terra 7 trilogie Het Huis van de Roos.

Op de voorkant staat Conrad, het belangrijkste personage in dit deel. Hem volg je op zijn reis naar het noorden. Conrad is vriendelijk, met een positieve inslag, maar ook iemand die vecht voor zijn idealen. André Kaffe geeft hem mooi gestalte.

Op de achterkant zie je de twee manen van de planeet: Candara en Dagomar. In het eerste deel waren ze van belang voor Dion en zijn manenproef, in dit deel door een profetie die Conrad krijgt van een Groene die hij ontmoet bij het Noordelijk Verzet. Zoals altijd met profetieën is ook deze voor meerdere uitleg vatbaar. Conrad probeert er niet te veel bij stil te staan, maar het gaat toch in zijn hoofd zitten.

Coverontwerp is van Joost Zwaan en het is weer mooi geworden. Al ging het vaak heen en weer. Ik ben zelf iemand met een behoorlijk duidelijk beeld in mijn hoofd van hoe ik het wil hebben. Daarnaast heeft Rianne met mij lang aan de achterflaptekst gesleuteld. Mede dankzij de inbreng van anderen, ben ik daar inmiddels tevreden over. Want het blijft lastig, zo’n tekst. Je wil de lezer nieuwsgierig maken, maar ook niet teveel weggeven en tegelijk moet het wel goed weergeven wat belangrijk is in je boek. Een achterflaptekst kan een lezer ook sturen in hoe hij of zij je boek leest.

Een hele bevalling dus, zo’n cover maar hij is er en ik hoor graag van jullie wat je er van vindt!

Paardenmeisje

Ik worstel al een aantal jaren met chronische vermoeidheid, maar als ik ergens energie van krijg dan is het wel van paarden. Dat heb ik mijn hele leven al. Ook als kind was ik snel moe en overprikkeld, maar ik fietste wel een flink aantal kilometers met tegenwind om naar Aida te gaan, mijn verzorgpony. Eenmaal daar voelde het alsof we in een andere wereld waren: samen met mijn vriendinnen en de pony op de boerderij als een oase van rust. Ik herinner me buitenritten, springen over zelfgemaakte hindernissen en veel poetsen. Als die eigenwijze Welshmerrie uit de wei wilde komen tenminste. Dat was lang niet altijd het geval en dan konden we onverrichter zaken weer naar huis.

Ik leerde daardoor al vroeg dat paardrijden een teamsport is. Paarden zijn groot en sterk en doen echt niet zomaar wat je van ze vraagt. Als het dan wel lukt, geeft dat een goed gevoel. We snappen elkaar! Die samenwerking is wat deze dieren zo aantrekkelijk maakt. Als je niet lekker in je vel zit, laat je paard dat weten. En als het paard onzeker is, zoekt het steun bij jou. De communicatie verloopt over het algemeen heel subtiel. Paarden die mensen bijten en slaan zijn echt een uitzondering, al moet je altijd voorzichtig blijven. Elk paard kan schrikken of op een ander paard reageren en dan ben je toch echt ineens een klein en kwetsbaar mens.

Dit jaar heb ik voor het eerst bij manege Warnaar een paard gehuurd voor vijf dagen. Met drie volwassenen tussen de kinderen en pubers, het was geweldig! Ik deed het in de eerste instantie om te kijken of ik het vol kon houden; stal uit mesten en rijden is fysiek best inspannend. Het ging prima en ik kon iedere dag iets langer blijven. Het is alsof je in een ander tijdzone leeft op een manege. Tijd gaat er sneller, maar zo voelt het niet op het moment zelf. Dan is het alsof de tijd stil staat.

Naast de voor mij bekende zaken (de stal op orde brengen, je paard poetsen, rijden of longeren) heb ik ook een aantal nieuwe dingen geleerd of iets gedaan wat je niet zo snel doet: vrij werken met je paard (leuk!), manen trekken, staart wassen en hoeven extra verzorgen. Het mooiste is dat ik een veel betere band heb gekregen met Cleo, de mooie, roodbruine KPWN merrie waar ik nu al een tijdje op rij. Cleo (kort voor Cleopatra) is een gevoelig en wat onzeker paard. Ik durfde haar nooit buiten de stal vast te zetten, maar heb ontdekt dat dat prima kan. Tijdens de buitenrit door het dorp heb ik geleerd dat ze misschien onzeker is, maar met vertrouwen alles voor je doet (ja, je kunt echt over een witte streep op de weg lopen). Niet alleen voor haar, maar vooral voor mezelf een overwinning. Zo zijn we in die paar dagen echt een team geworden en kon ik weer even een onbezorgd paardenmeisje zijn.

Deze column is verschenen in Celtica’s Magazine van oktober 2019.

De negatieve modus

Ik ben van nature een optimist. Ik heb altijd wel ideeën en plannen en als iets niet lukt of tegenzit ben ik goed in het verzinnen van oplossingen. Daarnaast worstel ik al mijn hele leven met depressies. Met name in de wintermaanden heeft het grote invloed op mijn denken. De laatste jaren wist ik het te onderdrukken met medicatie, maar door een toename van bijwerkingen ben ik daar mee gestopt en moet ik er weer zelf mee omgaan.

Cover van Celtica's Magazine editie september 2019.

Omdat ik er al mijn hele leven mee te maken heb (het begon ongeveer toen ik negen jaar oud was), ken ik het goed en heb ik mezelf geleerd er met afstand naar te kijken. Die afstand helpt om de gedachten en gevoelens die door de depressie in het negatieve getrokken worden met meer realisme te aanschouwen. De depressie is een onderdeel van mij, maar maakt mij niet wie ik echt ben. De depressie kleurt mijn persoon in, alsof er een deel van mij met grijs potlood wordt ingevuld. Ik kan het potlood niet uitgummen, maar er wel onder kijken en zien wat het doet. Bovendien weet ik door ervaring dat een depressie weer weggaat. Mijn eigen bontgekleurde zelf komt dan terug.

Een depressie kent gradaties. Op een schaal van 10, met de 1 als het ergste, zit ik nu op een 5,5 en tegen een depressie aan. Ik noem het de ‘negatieve modus’. Nog niet zwaar genoeg om een depressie te heten, maar alles wat ik hoor, denk of voel gaat wel door een negatief filter. Het is vermoeiend. Ik ben continu negatieve gedachten aan het bijstellen en een opmerking van een ander kan ineens heel hard bij mij binnenkomen en een lading krijgen die de zender er zeker niet mee bedoelt heeft. Een lastige situatie, helemaal nu ik bezig ben met mijn boek na redactie. Toch lukt het me wel en dat voelt goed. Het geeft vertrouwen dat ik, ondanks deze handicap (want dat is), toch door kan met schrijven.

De rede waarom ik er over schrijf in deze column is dat ik weet dat ik niet de enige ben die hier last van heeft. In Nederland krijgt bijna 20 procent van de volwassenen (18-64 jaar) ooit in het leven te maken met een depressie (bron Trimbos instituut). Zeker voor mensen die het voor het eerst meemaken, is het een beangstigende ervaring. Het is heel raar als je hoofd een loopje met je neemt en je niet zelf instaat bent om het te stoppen. Wat ik geleerd heb, is dat je het misschien niet kunt stoppen, maar dat je ook niet machteloos bent, zelfs als je je wel zo voelt. Je bent niet alleen, je kunt er mee leren leven en het gaat vrijwel altijd weer over. Zoek hulp, praat er over en voor de mensen uit iemands omgeving, sta open om te luisteren.

Deze column is verschenen in Celtica’s Magazine van september 2019.

Stiefmoeder

Ik ben stiefmoeder van drie dochters van inmiddels 24 (tweeling) en 27 jaar oud. Ik kwam in hun leven toen ik dertien jaar geleden mijn man leerde kennen. Ik weet dat het officiële woord voor onze relatie stiefmoeder is, maar ik heb een hekel aan het woord. Dat komt omdat ik het associeer met sprookjes als Assepoester of Sneeuwwitje. Ik probeer het woord zo veel mogelijk te vermijden, maar dat is best lastig.

Bij oppervlakkige aangelegenheden zeg ik gewoon dat ik hun moeder ben of dat ik drie dochters heb. Echt gelukkig ben ik daar niet mee, want dan voelt het toch alsof ik hun biologische moeder tekort doe. Nu kunnen kinderen best twee moeders hebben, maar dat past beter bij relaties waarbij de moeders ook een stel vormen. Het gebruik van ‘moeder’ voelt alsof ik iets oneigenlijks doe. Als mij gevraagd wordt of ik kinderen heb, zeg ik dat mijn man drie dochters heeft. Zo is de situatie meteen duidelijk. Maar ook dat voelt niet goed, want doe ik daar mezelf niet tekort mee? Het zijn niet zomaar alleen de kinderen van mijn man. Het zijn de enige kinderen die ik in mijn leven heb en ik hou zielsveel van ze.

Ik schrijf sciencefiction en fantasy en binnen het fantastische genre moet je regelmatig zelf woorden voor iets verzinnen. Niet altijd makkelijk, maar wel leuk om te doen. In de wereld van Terra 7 komen de bewoners van de planeet oorspronkelijk van de aarde en hebben nieuwe namen en woorden een link met waar ze oorspronkelijk vandaan komen. Bijvoorbeeld de Terrazones, een matriarchaal jagersvolk van vrouwelijke strijders (terra-amazones). Hun rijdieren heten zampala’s en lijken op een kruising tussen een impala en zebra. Sommige woorden zijn helemaal nieuw, zoals het scheldwoord ‘vuile dullak’ (een dullak is een dier dat op verrot vlees lijkt, inclusief de geur, zodat het insecten aantrekt waar het van leeft).

In de ‘echte’ wereld is het een stuk lastiger om nieuwe woorden te introduceren. Zoeken op synoniemen kan helpen. Doe je dat met het woord stiefmoeder op synoniemen.net dat krijg je geen resultaat te zien. Ook mijn Prisma synoniemenboek biedt geen soelaas. In het Woordenboek der Nederlandsche Taal staat de term ‘tweede moeder’ als alternatief, maar dat voldoet naar mijn gevoel niet. Het is meer een omschrijving, dan een synoniem.

Google helpt. Er komen diverse opties voorbij waaruit blijkt dat mijn geworstel met het woord stiefmoeder allesbehalve uniek is. Dat kan ook niet anders als het stiefmoederschap zo vaak voorkomt. Er blijkt zelfs een heuse Stichting Stiefmoeder. Deze stichting hield op 14 april 2012 een ‘stiefmoederdag’ met het verzoek voor een betere naam voor het woord stiefmoeder. Als positieve termen werden de volgende namen gekozen: bonusmoeder, cadeaumoeder, interim-mam en plusmoeder.

Interim-mam valt wat mij betreft meteen af. Het klinkt als iets tijdelijks en dat is het niet. Cadeaumoeder is me wat te veel. Ik weet zeker dat ik niet altijd een cadeautje was voor de meiden, en terecht! Soms was ik mede-opvoeder en dan kun je niet altijd aardig blijven. In een gezin moet je gewoon met elkaar dealen, inclusief elkaars onhebbelijkheden, dus ook die van mij. Over plusmoeder twijfel ik, net als bonusmoeder. Een supermarktassociatie komt bij mij boven, alsof ik een soort aanbieding was.

Ineens denk ik aan een ander woord: extramoeder. In mijn uitleg aan anderen zeg ik altijd dat mijn kinderen een vader, een moeder en twee extra’s hebben. Waarom dan niet het woord ‘extramoeder’ en ‘extravader’? Ik ga het gewoon uitproberen. Ik denk dat iedereen meteen weet wat ik bedoel. Of het echt beter is dan bijvoorbeeld bonusmoeder, weet ik niet. Het voelt tot nu toe het beste.

Al is het allerbelangrijkste niet in woorden uit te drukken. Ik weet wat ik voor de meiden beteken. Ik vergeet nooit meer de moederdag waarop ik voor het eerst van een van hen een bos bloemen kreeg. Zo zijn er tal van momenten waaruit blijkt wat we van elkaar zijn: familie. Met straks een familielid erbij, ik word extra-oma. Al denk ik dat het woord extra bij een volgende generatie wel weg kan. Gewoon oma Esther, klinkt goed.

Deze column is verschenen in Celtica’s Magazine van juli/augustus 2019.

De kracht van ontkenning

Onlangs bekeek ik de eerste twee afleveringen van de serie Chernobyl (HBO, nu te zien op Ziggo). Een indringende serie en een prachtige demonstratie van hoe de menselijke geest werkt.

Omdat volgens de leidinggevende van de kerncentrale (en later ook van andere mensen in de keten) een ontploffing in de kernreactor onmogelijk is, kan het niet waar zijn. Ook als anderen (ooggetuigen) vertellen dat het wel zo is. Wat volgt is een opeenstapeling van onbegrijpelijke beslissingen en fouten die vele mensen het leven kost. Bijna volledig ad-hoc wordt een grotere kernramp voorkomen.

Wat hierin meespeelt is dat radioactiviteit onzichtbaar is. Dat iets dat je niet kunt zien gevaarlijk kan zijn, wil er bij veel mensen niet in. Daarbij komt dat ontkenning vaak makkelijker is dan aanvaarding. Als je iets aanvaard moet je de consequenties onder ogen zien. Die kunnen veel omvangrijker zijn dan we zelf kunnen of willen overzien. Zeker in een totalitaire staat als de voormalige Sovjet Unie waar je meedogenloos wordt afgerekend door iemand boven je en tegenspraak niet gebruikelijk is.

Maar ook op persoonlijk vlak ken ik de kracht van ontkenning. Vele jaren geleden was ik op skivakantie met mijn familie. Halverwege de laatste afdaling op onze laatste vakantiedag bleef mijn linkervoet met ski steken in de sneeuw tijdens het maken van een bocht. Ik viel en voelde een felle, stekende pijn in mijn linkerenkel. Het was een pijn die ik niet kende en ik wist dat er wat mis was, maar het drong niet tot mij door.  Dat bepaalde ook de reactie van het groepje waar ik mee op weg was. Ze wezen me naar een restaurantje aan de overkant van de pieste waar ik een taxi kon bellen. Ik ben er alleen naar toegelopen met mijn ski’s en heb een taxi mij naar het dal laten brengen waar mijn vader mij zou ophalen. Ook daar heb ik rondgelopen. Eenmaal in ons appartement deed ik mijn skischoen uit en zag het bot van mijn linkerenkel naar buiten steken (alleen mijn huid hielt het tegen). Op dat moment vroeg ik mijn vader om toch maar even naar het ziekenhuis te gaan. Pas toen ik de röntgenfoto zag, aanvaarde ik dat mijn enkel echt gebroken was.

Dit is een voorbeeld zonder grote consequenties voor anderen en met mijn enkel is het helemaal goed gekomen. Het heeft me wel veel geleerd. Ook ik ben in staat om iets totaal te ontkennen (inclusief verdringing van helse pijn) en zelfs zonder duidelijke reden kan dat gebeuren (iets breken tijdens een skivakantie is niet erg ongewoon). Het is een ervaring die ik gebruik in mijn verhalen. Mijn personages komen in verschrikkelijke situaties terecht en ze gaan daar allemaal op hun eigen manier mee om. Een daarvan is ontkenning. Zeker als je als lezer of kijker wel weet hoe het zit, is dat best moeilijk om te aanschouwen. Je zou tegen het personage willen schreeuwen om het probleem onder ogen te zien.

Deze column is verschenen in Celtica’s Magazine van juni 2019.

Collega’s

Zijn andere auteurs je collega of je concurrent?

Ik heb zelf nooit getwijfeld over het antwoord: collega. Lezers lezen immers veel meer boeken dan ik ooit kan schrijven en hoe meer ze mijn genre (sciencefiction en fantasy) ontdekken, hoe beter dat is. De kans is dan groter dat ze ook een keer mijn boek lezen.

Het Nederlandse taalgebied is relatief klein (Nederland en Vlaanderen) en binnen dat gebied lezen ook nog veel mensen in een andere taal: vooral Engels, maar ook Frans en Duits. Nederlanders lezen veel. We staan op nummer 2 van Europa. Acht op de tien Nederlanders lazen in 2018 een boek, waarvan drie op de tien dagelijks. Het liefst lezen we spannende boeken, daarna literatuur en het informatieve boek (bron: KvB Boekwerk & GfK, 2018, meting 43). Al met al schrijven auteurs dus voor een grote groep.

Op een beurs verkoop ik met veel plezier de boeken van de andere auteurs. Elk verkocht boek versterkt de uitgeverij en maakt het waarschijnlijker dat er geld is voor mijn volgende boek. Natuurlijk vind ik het het leukst als iemand mijn boek koopt (en ik mag signeren, iets wat als een echte eer blijft voelen), maar ik realiseer me ook dat nog steeds veel mensen een beetje huiverige zijn voor sciencefiction.

Die onbekendheid met sciencefiction is een van de redenen waarom ik samen met twee andere schrijvers (Johan Klein Haneveld, uitgegeven bij Macc en Godijn Publishing en Johan Bakker, uitgegeven bij Zilverbron) SF promoot bij boekhandels d.m.v. een lezing, een discussie en met muziek. Het is meteen een mooi voorbeeld van hoe je elkaar als collega’s kunt versterken.

Een ander voorbeeld daarvan is dat twee schrijvers van Celtica Publishing (Patty van Delft en Jeffrey Debris) mij helpen met mijn tweede boek door proef te lezen. Peter Varg deed dat eerder bij een kort verhaal. Auteurs geven feedback op bijvoorbeeld een achterflaptekst en delen schrijftips met elkaar tijdens evenementen. Zo is er echt spraken van een “team Celtica”.

Om een betere schrijver te worden, ben ik lid geworden van een schrijfgroep met andere auteurs. Sommige hebben al een boek gepubliceerd, anderen werken er nog aan. Onder leiding van Elly Godijn (jawel, van Godijn Publishing) geven we feedback op fragmenten van elkaars werk en doen we schrijfopdrachten. Daarbij is het extra interessant dat het om verschillende genres gaat.

Is er dan helemaal geen sprake van concurrentie? Natuurlijk wel. Tijdens een evenement heb je toch het liefst dat ze naar onze kraam komen. Verder is het altijd onverstandig om met collega’s over verkoopcijfers te praten. Daarnaast zijn de meeste auteurs gepassioneerde persoonlijkheden en dus wordt er wel eens op tenen getrapt, ontstaan er oeverloze discussies of onenigheid over bijvoorbeeld recensies. Auteurs, het zijn net mensen…

Deze column is verschenen in Celtica’s Magazine van mei 2019.

Het wonderlijke leven van personages

Het is het meest bijzondere aan schrijven: het tot leven brengen van personages.

Vaak zijn zij waar het verhaal voor mij mee begint. Als schrijver zit je in het hoofd van al die entiteiten, want het zijn lang niet altijd mensen als je in het fantastische genre schrijft. Artifical Inteligence, een buitenaards wezen, een persoon met bijzondere gaven, een elf, een kwaadaardige geest; het kan allemaal. Of ze ook echt gaan leven hangt af van de eigenschappen die je hen geeft. Welk karakter hebben ze? Wat is hun achtergrond en wat hun motivatie om de dingen te doen zoals ze ze doen?

Om mijn personages tot leven te brengen, bedenk ik vaak veel meer om ze heen dan ik uiteindelijk in het verhaal zelf beschrijf. Een personage heeft achtergrond nodig. Ik bedenk waar ze geboren zijn, hoe hun jeugd was en welke ervaringen ze hebben opgedaan voor hun avontuur begint in het verhaal waar ze een rol in spelen. Bij personages die een hoofdrol spelen is dat vrij uitgebreid, bij kleinere rollen heel summier.

Vooral bij de slechteriken is het goed te bedenken waarom iemand tot slechte daden overgaat. Is het hebzucht, wraak, een stoornis? Waarom is iemand wreed? Kan ik mezelf voorstellen waarom ik een ander pijn wil doen of zelfs een heel volk wil uitmoorden? Het betekend ook dat je naar de duistere kanten van jezelf durft te kijken. Want ook al heb je zelf het morele beseft dat wat het personage doet slecht is, toch is het mijn creatie en daarmee mijn eigen donkere fantasie. Ik ben degene die dit kwaad los laat in de wereld die ik gemaakt heb.

Waar je voor op moet passen zijn je eigen vooroordelen. Waarom maak ik iemand een man of een vrouw? Wat is zijn of haar geaardheid? Zijn alle elfen goed en alle orcs slecht? Ziet een buitenaards wezen er ongeveer net zo uit als wij of kan dat ook heel anders zijn? Het mooie van het schrijven van fantasie is juist dat het je dwingt om buiten de bekende paden te wandelen.

Als personages eenmaal vorm hebben gekregen, gaan ze leven en soms ook een eigen leven lijden. Dat is het meest wonderlijke aan schrijven: dat je verrast wordt door je eigen personages en verhaal. Ze doen soms net even iets anders dan aanvankelijk gedacht en als je dat laat gebeuren, weet je ook dat het klopt. Dingen in je verhaal vallen er door op zijn plek. Jammer voor je verhaallijn of van die mooie scene die je verder in het verhaal verzonnen had. Het moet aangepast of er uit. Soms vraag ik me wel eens af of ik als schrijver wel de baas ben over mijn eigen creaties…

Deze column is verschenen in Celtica’s Magazine van april 2019.

1 2 3 5