Onzekerheid

Mijn tweede boek is uit. Na de blijdschap van het in handen hebben van je eigen boek, komt de volgende fase. Want als er iets is dat ik met zekerheid weet te voorspellen, dan is het wel dat ik mij vreselijk onzeker ga voelen na het uitkomen van een nieuw boek.

Het is echt doodeng: het verhaal waar je zo lang aan hebt gewerkt los laten in de wereld. Anderen gaan het lezen en vinden er vervolgens wat van. Hetzelfde gebeurd met proeflezers en tijdens redactie van mijn manuscript. Ook eng, maar lang niet zo spannend als dit moment.

Waarom is dat? Ik ben altijd bloednerveus voordat ik als zangeres, acteur of spreker op een podium stap. Het verschil is dat ik dat los kan laten als ik eenmaal aan mijn optreden begonnen ben. Ik ga op in mijn rol, welke dat ook is en kan er zelfs van genieten. Met een boek is het geen moment. Je bent er zelfs niet eens bij aanwezig. Je krijgt een berichtje als er een review geplaatst is en dat is het. Door mijn proeflezers en tijdens het redactieproces heb ik wel een idee van wat men van mijn verhaal vindt, toch is dat niet het zelfde.

De onzekerheid zit in mij en is ingebakken geraakt in mijn jeugd. Ergens in dat proces is het idee ontstaan dat niets wat ik doe, goed kan zijn. Zelfs goed mag zijn. Ik ben inmiddels bijna vijftig en de stemmen van de mensen die mij daar ooit van overtuigden zijn allang verstomd, maar af en toe hoor ik ze nog in mijn hoofd. “Je kan het toch niet.” “Hoe haal je het in je hoofd om boeken te gaan schrijven met jouw dyslexie!” “Hoe je ook je best doet, het is nooit goed genoeg.” Ze hebben een groot deel van mijn leven beïnvloed. Met de blik van nu zie ik het effect er van. De lastige relaties, de angst, de stress. Ik heb het voor een heel groot deel losgelaten. Dat kleine en onzekere meisje van toen, getroost met de vrouw die ik nu ben.

Maar af en toe is het er weer, vooral als ik iets doe dat niet goed is volgens die stemmen van vroeger. Als ik mijn nek uitsteek, mij niet laat weerhouden om dat wat ik belangrijk vindt aan de wereld te laten zien. Ik vind mijn verhaal het waard om gelezen te worden. Ik heb iets te vertellen en werk er hard aan om dat zo goed mogelijk op papier te zetten. Ik ben trots op wat ik doe!

De onzekerheid gaat niet weg. Wat ooit gezegd is en in mijn hoofd is gaan zitten, kan niet meer ongedaan gemaakt worden. Wat ik wel kan, is er zo min mogelijk naar luisteren en met opgeheven hoofd verder gaan met wat ik graag doe: de verhalen in mijn hoofd op papier zetten en delen met anderen.

Deze column is verschenen in Celtica’s Magazine van december 2019.

Paardenmeisje

Ik worstel al een aantal jaren met chronische vermoeidheid, maar als ik ergens energie van krijg dan is het wel van paarden. Dat heb ik mijn hele leven al. Ook als kind was ik snel moe en overprikkeld, maar ik fietste wel een flink aantal kilometers met tegenwind om naar Aida te gaan, mijn verzorgpony. Eenmaal daar voelde het alsof we in een andere wereld waren: samen met mijn vriendinnen en de pony op de boerderij als een oase van rust. Ik herinner me buitenritten, springen over zelfgemaakte hindernissen en veel poetsen. Als die eigenwijze Welshmerrie uit de wei wilde komen tenminste. Dat was lang niet altijd het geval en dan konden we onverrichter zaken weer naar huis.

Ik leerde daardoor al vroeg dat paardrijden een teamsport is. Paarden zijn groot en sterk en doen echt niet zomaar wat je van ze vraagt. Als het dan wel lukt, geeft dat een goed gevoel. We snappen elkaar! Die samenwerking is wat deze dieren zo aantrekkelijk maakt. Als je niet lekker in je vel zit, laat je paard dat weten. En als het paard onzeker is, zoekt het steun bij jou. De communicatie verloopt over het algemeen heel subtiel. Paarden die mensen bijten en slaan zijn echt een uitzondering, al moet je altijd voorzichtig blijven. Elk paard kan schrikken of op een ander paard reageren en dan ben je toch echt ineens een klein en kwetsbaar mens.

Dit jaar heb ik voor het eerst bij manege Warnaar een paard gehuurd voor vijf dagen. Met drie volwassenen tussen de kinderen en pubers, het was geweldig! Ik deed het in de eerste instantie om te kijken of ik het vol kon houden; stal uit mesten en rijden is fysiek best inspannend. Het ging prima en ik kon iedere dag iets langer blijven. Het is alsof je in een ander tijdzone leeft op een manege. Tijd gaat er sneller, maar zo voelt het niet op het moment zelf. Dan is het alsof de tijd stil staat.

Naast de voor mij bekende zaken (de stal op orde brengen, je paard poetsen, rijden of longeren) heb ik ook een aantal nieuwe dingen geleerd of iets gedaan wat je niet zo snel doet: vrij werken met je paard (leuk!), manen trekken, staart wassen en hoeven extra verzorgen. Het mooiste is dat ik een veel betere band heb gekregen met Cleo, de mooie, roodbruine KPWN merrie waar ik nu al een tijdje op rij. Cleo (kort voor Cleopatra) is een gevoelig en wat onzeker paard. Ik durfde haar nooit buiten de stal vast te zetten, maar heb ontdekt dat dat prima kan. Tijdens de buitenrit door het dorp heb ik geleerd dat ze misschien onzeker is, maar met vertrouwen alles voor je doet (ja, je kunt echt over een witte streep op de weg lopen). Niet alleen voor haar, maar vooral voor mezelf een overwinning. Zo zijn we in die paar dagen echt een team geworden en kon ik weer even een onbezorgd paardenmeisje zijn.

Deze column is verschenen in Celtica’s Magazine van oktober 2019.

De negatieve modus

Ik ben van nature een optimist. Ik heb altijd wel ideeën en plannen en als iets niet lukt of tegenzit ben ik goed in het verzinnen van oplossingen. Daarnaast worstel ik al mijn hele leven met depressies. Met name in de wintermaanden heeft het grote invloed op mijn denken. De laatste jaren wist ik het te onderdrukken met medicatie, maar door een toename van bijwerkingen ben ik daar mee gestopt en moet ik er weer zelf mee omgaan.

Cover van Celtica's Magazine editie september 2019.

Omdat ik er al mijn hele leven mee te maken heb (het begon ongeveer toen ik negen jaar oud was), ken ik het goed en heb ik mezelf geleerd er met afstand naar te kijken. Die afstand helpt om de gedachten en gevoelens die door de depressie in het negatieve getrokken worden met meer realisme te aanschouwen. De depressie is een onderdeel van mij, maar maakt mij niet wie ik echt ben. De depressie kleurt mijn persoon in, alsof er een deel van mij met grijs potlood wordt ingevuld. Ik kan het potlood niet uitgummen, maar er wel onder kijken en zien wat het doet. Bovendien weet ik door ervaring dat een depressie weer weggaat. Mijn eigen bontgekleurde zelf komt dan terug.

Een depressie kent gradaties. Op een schaal van 10, met de 1 als het ergste, zit ik nu op een 5,5 en tegen een depressie aan. Ik noem het de ‘negatieve modus’. Nog niet zwaar genoeg om een depressie te heten, maar alles wat ik hoor, denk of voel gaat wel door een negatief filter. Het is vermoeiend. Ik ben continu negatieve gedachten aan het bijstellen en een opmerking van een ander kan ineens heel hard bij mij binnenkomen en een lading krijgen die de zender er zeker niet mee bedoelt heeft. Een lastige situatie, helemaal nu ik bezig ben met mijn boek na redactie. Toch lukt het me wel en dat voelt goed. Het geeft vertrouwen dat ik, ondanks deze handicap (want dat is), toch door kan met schrijven.

De rede waarom ik er over schrijf in deze column is dat ik weet dat ik niet de enige ben die hier last van heeft. In Nederland krijgt bijna 20 procent van de volwassenen (18-64 jaar) ooit in het leven te maken met een depressie (bron Trimbos instituut). Zeker voor mensen die het voor het eerst meemaken, is het een beangstigende ervaring. Het is heel raar als je hoofd een loopje met je neemt en je niet zelf instaat bent om het te stoppen. Wat ik geleerd heb, is dat je het misschien niet kunt stoppen, maar dat je ook niet machteloos bent, zelfs als je je wel zo voelt. Je bent niet alleen, je kunt er mee leren leven en het gaat vrijwel altijd weer over. Zoek hulp, praat er over en voor de mensen uit iemands omgeving, sta open om te luisteren.

Deze column is verschenen in Celtica’s Magazine van september 2019.

Stiefmoeder

Ik ben stiefmoeder van drie dochters van inmiddels 24 (tweeling) en 27 jaar oud. Ik kwam in hun leven toen ik dertien jaar geleden mijn man leerde kennen. Ik weet dat het officiële woord voor onze relatie stiefmoeder is, maar ik heb een hekel aan het woord. Dat komt omdat ik het associeer met sprookjes als Assepoester of Sneeuwwitje. Ik probeer het woord zo veel mogelijk te vermijden, maar dat is best lastig.

Bij oppervlakkige aangelegenheden zeg ik gewoon dat ik hun moeder ben of dat ik drie dochters heb. Echt gelukkig ben ik daar niet mee, want dan voelt het toch alsof ik hun biologische moeder tekort doe. Nu kunnen kinderen best twee moeders hebben, maar dat past beter bij relaties waarbij de moeders ook een stel vormen. Het gebruik van ‘moeder’ voelt alsof ik iets oneigenlijks doe. Als mij gevraagd wordt of ik kinderen heb, zeg ik dat mijn man drie dochters heeft. Zo is de situatie meteen duidelijk. Maar ook dat voelt niet goed, want doe ik daar mezelf niet tekort mee? Het zijn niet zomaar alleen de kinderen van mijn man. Het zijn de enige kinderen die ik in mijn leven heb en ik hou zielsveel van ze.

Ik schrijf sciencefiction en fantasy en binnen het fantastische genre moet je regelmatig zelf woorden voor iets verzinnen. Niet altijd makkelijk, maar wel leuk om te doen. In de wereld van Terra 7 komen de bewoners van de planeet oorspronkelijk van de aarde en hebben nieuwe namen en woorden een link met waar ze oorspronkelijk vandaan komen. Bijvoorbeeld de Terrazones, een matriarchaal jagersvolk van vrouwelijke strijders (terra-amazones). Hun rijdieren heten zampala’s en lijken op een kruising tussen een impala en zebra. Sommige woorden zijn helemaal nieuw, zoals het scheldwoord ‘vuile dullak’ (een dullak is een dier dat op verrot vlees lijkt, inclusief de geur, zodat het insecten aantrekt waar het van leeft).

In de ‘echte’ wereld is het een stuk lastiger om nieuwe woorden te introduceren. Zoeken op synoniemen kan helpen. Doe je dat met het woord stiefmoeder op synoniemen.net dat krijg je geen resultaat te zien. Ook mijn Prisma synoniemenboek biedt geen soelaas. In het Woordenboek der Nederlandsche Taal staat de term ‘tweede moeder’ als alternatief, maar dat voldoet naar mijn gevoel niet. Het is meer een omschrijving, dan een synoniem.

Google helpt. Er komen diverse opties voorbij waaruit blijkt dat mijn geworstel met het woord stiefmoeder allesbehalve uniek is. Dat kan ook niet anders als het stiefmoederschap zo vaak voorkomt. Er blijkt zelfs een heuse Stichting Stiefmoeder. Deze stichting hield op 14 april 2012 een ‘stiefmoederdag’ met het verzoek voor een betere naam voor het woord stiefmoeder. Als positieve termen werden de volgende namen gekozen: bonusmoeder, cadeaumoeder, interim-mam en plusmoeder.

Interim-mam valt wat mij betreft meteen af. Het klinkt als iets tijdelijks en dat is het niet. Cadeaumoeder is me wat te veel. Ik weet zeker dat ik niet altijd een cadeautje was voor de meiden, en terecht! Soms was ik mede-opvoeder en dan kun je niet altijd aardig blijven. In een gezin moet je gewoon met elkaar dealen, inclusief elkaars onhebbelijkheden, dus ook die van mij. Over plusmoeder twijfel ik, net als bonusmoeder. Een supermarktassociatie komt bij mij boven, alsof ik een soort aanbieding was.

Ineens denk ik aan een ander woord: extramoeder. In mijn uitleg aan anderen zeg ik altijd dat mijn kinderen een vader, een moeder en twee extra’s hebben. Waarom dan niet het woord ‘extramoeder’ en ‘extravader’? Ik ga het gewoon uitproberen. Ik denk dat iedereen meteen weet wat ik bedoel. Of het echt beter is dan bijvoorbeeld bonusmoeder, weet ik niet. Het voelt tot nu toe het beste.

Al is het allerbelangrijkste niet in woorden uit te drukken. Ik weet wat ik voor de meiden beteken. Ik vergeet nooit meer de moederdag waarop ik voor het eerst van een van hen een bos bloemen kreeg. Zo zijn er tal van momenten waaruit blijkt wat we van elkaar zijn: familie. Met straks een familielid erbij, ik word extra-oma. Al denk ik dat het woord extra bij een volgende generatie wel weg kan. Gewoon oma Esther, klinkt goed.

Deze column is verschenen in Celtica’s Magazine van juli/augustus 2019.

De kracht van ontkenning

Onlangs bekeek ik de eerste twee afleveringen van de serie Chernobyl (HBO, nu te zien op Ziggo). Een indringende serie en een prachtige demonstratie van hoe de menselijke geest werkt.

Omdat volgens de leidinggevende van de kerncentrale (en later ook van andere mensen in de keten) een ontploffing in de kernreactor onmogelijk is, kan het niet waar zijn. Ook als anderen (ooggetuigen) vertellen dat het wel zo is. Wat volgt is een opeenstapeling van onbegrijpelijke beslissingen en fouten die vele mensen het leven kost. Bijna volledig ad-hoc wordt een grotere kernramp voorkomen.

Wat hierin meespeelt is dat radioactiviteit onzichtbaar is. Dat iets dat je niet kunt zien gevaarlijk kan zijn, wil er bij veel mensen niet in. Daarbij komt dat ontkenning vaak makkelijker is dan aanvaarding. Als je iets aanvaard moet je de consequenties onder ogen zien. Die kunnen veel omvangrijker zijn dan we zelf kunnen of willen overzien. Zeker in een totalitaire staat als de voormalige Sovjet Unie waar je meedogenloos wordt afgerekend door iemand boven je en tegenspraak niet gebruikelijk is.

Maar ook op persoonlijk vlak ken ik de kracht van ontkenning. Vele jaren geleden was ik op skivakantie met mijn familie. Halverwege de laatste afdaling op onze laatste vakantiedag bleef mijn linkervoet met ski steken in de sneeuw tijdens het maken van een bocht. Ik viel en voelde een felle, stekende pijn in mijn linkerenkel. Het was een pijn die ik niet kende en ik wist dat er wat mis was, maar het drong niet tot mij door.  Dat bepaalde ook de reactie van het groepje waar ik mee op weg was. Ze wezen me naar een restaurantje aan de overkant van de pieste waar ik een taxi kon bellen. Ik ben er alleen naar toegelopen met mijn ski’s en heb een taxi mij naar het dal laten brengen waar mijn vader mij zou ophalen. Ook daar heb ik rondgelopen. Eenmaal in ons appartement deed ik mijn skischoen uit en zag het bot van mijn linkerenkel naar buiten steken (alleen mijn huid hielt het tegen). Op dat moment vroeg ik mijn vader om toch maar even naar het ziekenhuis te gaan. Pas toen ik de röntgenfoto zag, aanvaarde ik dat mijn enkel echt gebroken was.

Dit is een voorbeeld zonder grote consequenties voor anderen en met mijn enkel is het helemaal goed gekomen. Het heeft me wel veel geleerd. Ook ik ben in staat om iets totaal te ontkennen (inclusief verdringing van helse pijn) en zelfs zonder duidelijke reden kan dat gebeuren (iets breken tijdens een skivakantie is niet erg ongewoon). Het is een ervaring die ik gebruik in mijn verhalen. Mijn personages komen in verschrikkelijke situaties terecht en ze gaan daar allemaal op hun eigen manier mee om. Een daarvan is ontkenning. Zeker als je als lezer of kijker wel weet hoe het zit, is dat best moeilijk om te aanschouwen. Je zou tegen het personage willen schreeuwen om het probleem onder ogen te zien.

Deze column is verschenen in Celtica’s Magazine van juni 2019.

Collega’s

Zijn andere auteurs je collega of je concurrent?

Ik heb zelf nooit getwijfeld over het antwoord: collega. Lezers lezen immers veel meer boeken dan ik ooit kan schrijven en hoe meer ze mijn genre (sciencefiction en fantasy) ontdekken, hoe beter dat is. De kans is dan groter dat ze ook een keer mijn boek lezen.

Het Nederlandse taalgebied is relatief klein (Nederland en Vlaanderen) en binnen dat gebied lezen ook nog veel mensen in een andere taal: vooral Engels, maar ook Frans en Duits. Nederlanders lezen veel. We staan op nummer 2 van Europa. Acht op de tien Nederlanders lazen in 2018 een boek, waarvan drie op de tien dagelijks. Het liefst lezen we spannende boeken, daarna literatuur en het informatieve boek (bron: KvB Boekwerk & GfK, 2018, meting 43). Al met al schrijven auteurs dus voor een grote groep.

Op een beurs verkoop ik met veel plezier de boeken van de andere auteurs. Elk verkocht boek versterkt de uitgeverij en maakt het waarschijnlijker dat er geld is voor mijn volgende boek. Natuurlijk vind ik het het leukst als iemand mijn boek koopt (en ik mag signeren, iets wat als een echte eer blijft voelen), maar ik realiseer me ook dat nog steeds veel mensen een beetje huiverige zijn voor sciencefiction.

Die onbekendheid met sciencefiction is een van de redenen waarom ik samen met twee andere schrijvers (Johan Klein Haneveld, uitgegeven bij Macc en Godijn Publishing en Johan Bakker, uitgegeven bij Zilverbron) SF promoot bij boekhandels d.m.v. een lezing, een discussie en met muziek. Het is meteen een mooi voorbeeld van hoe je elkaar als collega’s kunt versterken.

Een ander voorbeeld daarvan is dat twee schrijvers van Celtica Publishing (Patty van Delft en Jeffrey Debris) mij helpen met mijn tweede boek door proef te lezen. Peter Varg deed dat eerder bij een kort verhaal. Auteurs geven feedback op bijvoorbeeld een achterflaptekst en delen schrijftips met elkaar tijdens evenementen. Zo is er echt spraken van een “team Celtica”.

Om een betere schrijver te worden, ben ik lid geworden van een schrijfgroep met andere auteurs. Sommige hebben al een boek gepubliceerd, anderen werken er nog aan. Onder leiding van Elly Godijn (jawel, van Godijn Publishing) geven we feedback op fragmenten van elkaars werk en doen we schrijfopdrachten. Daarbij is het extra interessant dat het om verschillende genres gaat.

Is er dan helemaal geen sprake van concurrentie? Natuurlijk wel. Tijdens een evenement heb je toch het liefst dat ze naar onze kraam komen. Verder is het altijd onverstandig om met collega’s over verkoopcijfers te praten. Daarnaast zijn de meeste auteurs gepassioneerde persoonlijkheden en dus wordt er wel eens op tenen getrapt, ontstaan er oeverloze discussies of onenigheid over bijvoorbeeld recensies. Auteurs, het zijn net mensen…

Deze column is verschenen in Celtica’s Magazine van mei 2019.

Schrijver?

Kun je schrijver zijn als geschreven taal lastig voor je is?

Er is tekst dat ik niet kan lezen. Lange zinnen met veel informatie komen niet bij me binnen. Pas na een paar herhalingen heb ik een idee van wat er staat. Als ik voor mezelf de zin in stukjes heb gebroken en de essentie er uit heb gehaald. Een boek vol met dat soort zinnen lees ik niet.

Geschreven taal is voor mij een uitdaging. Waar anderen zien of een woord goed of fout gespeld is, zie ik dat niet. Ik moet de regeltjes blijven toepassen. Lastig, want ik heb moeite met onthouden. Bovendien hebben woorden de neiging om “zich niet te laten zien.” Ik weet welk woord ik wil gebruiken, maar kan mij niet herinneren hoe je het schrijft. Het lezen zelf kost mij meer tijd, alsof ik altijd een extra stap moet zetten om te begrijpen wat er staat. Een grote lap tekst kan daarom overweldigend zijn.

Een van mijn vroegste herinneringen was dat ik in het dagboek van mijn moeder keek. Ik was op de stoel geklommen van haar bureau en keek naar haar handschrift in dat boekje en wist: eens kan ik dit ook. Kan ik dit lezen en zelf mijn verhaal schrijven. Ik was twee jaar en de behoefte om te kunnen begrijpen wat daar stond was zo groot, dat ik het onthouden heb. In mijn babyboek schreef mijn moeder dat ik van lezen hield, ook al deed ik maar alsof. Pas op de lagere school was het zo ver en het ontrafelen van die prachtige tekens bleek een enorme opgave. Die eerste klas was een hel.

In de tweede klas had ik een lerares die heel anders met taal omsprong. Ze las geregeld voor en spoorde de kinderen aan zelf ook regelmatig te lezen. Thuis werd gelukkig veel voorgelezen. En ik hield van de verhalen. Ik zag in mijn hoofd wat er gebeurde, prachtig! Met mijn eigen fantasie ging ik er mee verder. Lezen werd leuk, ondanks de moeite die het me koste. Als ik een opstel schreef, was mijn spelling vreselijk, maar mijn verhaal goed.

Mijn vader spaarde sciencefiction en fantasy boeken, dus toen ik er oud genoeg voor was ging ik die lezen. Boeken van Jack Vance, Tanith Lee, Stephen King, Frank Herbert en natuurlijk Tolkien. Ook voor Nederlands en Engels moest ik lezen. Engels ging mij makkelijker af dan het Nederlands, want in mijn eigen taal ontdekte ik dat er nog steeds tekst bestond waar ik niet doorheen kon komen. Het maakte dat ik weinig liefde voelde voor de Nederlandse literatuur. Gelukkig was onze leeslijst vrij lang en stonden er boeken op die wel lukte.

Ik verzon nog steeds verhalen: met tekeningen erbij en vol spellingsfouten. Toen ik begin twintig ziek werd en moest overleven ben ik uit het niets aan een boek begonnen. In negen maanden schreef ik het verhaal over de mensen op Terra 7.

In de jaren daarna schreef ik voor mijn werk: persberichten, websiteartikelen, brochures, beleidsnota’s, jaarverslagen. In mijn vrije tijd vooral liedteksten. Nog steeds met spellingsfouten, dus ik had altijd iemand nodig die corrigeerde. Pas na 25 jaar pakte ik het verhaal over Terra 7 weer op, herschreef het en zocht een uitgever. Dat werd Celtica Publishing.

Kun je een boek schrijven als je sommige teksten niet kunt lezen? Ja, dat kan. Met een berg trucjes (bijv. op de computer in A5 werken, want minder tekst op een pagina) en nog steeds de hulp van anderen. Mijn spelling is zelfs verbeterd door het vele oefenen. Verwacht alleen van mij geen hoogdravende taal, met lange zinnen en veel informatie. Ik word dan ook erg blij als ik een lezer hoor zeggen dat mijn boek zo makkelijk te lezen is. Een groter compliment is er wat mij betreft niet.

Deze column is verschenen in Celtica’s Magazine van januari 2019.

Nee zeggen

Ik ben nieuwsgierig, leergierig en een optimist. Over het algemeen goede eigenschappen die verschillende keren in mijn leven goed van pas kwamen. Tegenwoordig zijn deze eigenschappen mijn valkuil.

Ik heb altijd ideeën en vind heel veel leuk. In het verleden is ook gebleken dat veel dingen mij goed af gaan. Maar als je iets kunt en leuk vindt, wil dat nog niet zeggen dat je het moet doen. Daarnaast denk ik altijd in oplossingen. Wil het niet rechtsom, dan ga ik linksom. Wil dat ook niet, dan desnoods dwars door het midden. Maar wat als iets niet doen de beste oplossing is? Wat als het gewoon beter is om nee te zeggen?

Ik heb heel vaak nee moeten zeggen de laatste paar jaren. Nee tegen mijn werk dat ik heel erg leuk vond, maar niet meer vol kon houden. Nee tegen zingen met de bigband, omdat ik het niet meer red om ’s avonds te repeteren. Nee tegen een verzorgpaard, omdat ik de energie niet heb. Nee tegen vrienden, omdat ik te moe ben om met ze om te gaan. Mijn wereld is er een stuk kleiner door geworden.

Veel behandelingen van burn-outs gaan uit van het principe dat je balans moet zoeken tussen dingen die energie nemen en energie geven. Alleen bij mij werkt het niet zo. Alles kost energie, ook de leuke dingen. Alleen de niet-leuke dingen kosten meer. De dingen die niet zo leuk zijn, moeten wel gewoon gebeuren. Huishouden, boodschappen doen, koken, klussen. Het is een onderdeel van het gewone dagelijks leven.

Er zijn zaken waar ik ja tegen blijf zeggen. Belangrijkste zijn mijn gezin en familie, echte vrienden, mijn hond en kat, die ene keer in de week op een ochtend paardrijden en natuurlijk schrijven. Of schrijven wel of niet lukt is niet afhankelijk van mijn energieniveau, maar van mijn vermogen me te kunnen concentreren. Natuurlijk, als je moe bent is het lastiger om je te concentreren. Toch werkt het niet andersom; als ik energie heb, kan ik me vaak slecht concentreren.

Ik werk met een weekschema waarop ik mijn activiteiten verdeel. Het geeft houvast en helpt om dat kleine beetje energie dat ik heb goed te verdelen. Toch blijft het nodig om nee te zeggen, ook als het eerst ja was. Zo zou ik woensdag naar een school in Gouda om samen met Anaïd Haen les te geven over schrijven. Ik had er erg veel zin in, maar heb het af moeten zeggen. Niet leuk, maar noodzakelijk. Want soms win je iets door nee te zeggen, ook al voelt het als verliezen.