We zijn er bijna

We zijn er bijna. Ik werk aan de laatste hoofdstukken van Het Huis van de Roos. Als dat af is, heb ik het hele tweede boek opnieuw geschreven. Hoewel ik de originele verhaallijn blijf volgen, is het op veel punten een totaal ander boek dan de eerdere versie. Het blijft bijzonder om te ontdekken hoe een verhaal zich blijft ontwikkelen. Vooral omdat de karakters van de  personages groeien en hun wisselwerking om een ander verhaal vraagt. Conrad, Bridget en Duncan, de belangrijkste personages uit boek 2, heb ik nog beter leren kennen. Zaken die ik in de eerste versie niet zag, zijn ineens heel duidelijk en vallen op hun plaats. Het is het wonderlijkste onderdeel van schrijven.

We zijn er bijna, maar nog niet helemaal. Het verhaal mag er dan zijn, het boek nog niet. Een aantal hoofdstukken worden al gelezen door proeflezers en daar komt het laatste deel straks bij. Met die feedback ga ik herschrijven. Daarna volgt een ronde met mijn redacteur Anaïd Haen. Als laatste gaat mijn uitgeefster Rianne Lampers met een stofkam door de tekst om alle laatste foutjes er uit te halen.

Ondertussen werk ik met Joost Zwaan aan de cover voor dit boek. We hebben al iemand gevonden die model wil staan voor Conrad. Het concept is doorgenomen en het logo (van een roos uiteraard) dat op de band staat is al gemaakt. Zo krijgt Terra 7 deel 2 Het Huis van de Roos steeds meer vorm.

Moeder

In het 2e boek van de Terra7 trilogie speelt Conrad een hoofdrol. In Het groene kristal leerde je hem kennen, maar in dit verhaal lees je meer over zijn achtergrond.

Mensen om hem heen stonden op van hun stoel en dat deed ook Conrad opkijken. Zijn moeder kwam de eetzaal van het ruimtestation in: een prachtige Afro-Amerikaanse vrouw van in de zestig in een militair uniform. Haar statige houding was voor de meeste mensen al voldoende om te gaan staan, de vier sterren op haar schouders maakte het een vereiste. Conrad bleef als enige zitten en zijn moeder stapte met een stevige tred naar hem toe. Pas toen ze vlakbij was, stond Conrad op en kuste haar op de wang.

‘Moeder, ik had u niet zo vroeg verwacht’, verontschuldigde Conrad zich terwijl hij beleeft haar een stoel wees en die aanschoof zodra ze was gaan zitten. Het was het signaal voor de mensen om hen heen om ook weer te gaan zitten en snel klonk het normale geroezemoes van gesprekken om hen heen. ‘Kan ik iets te drinken voor je halen?’

‘Nee, dank je. De Cairo kon eerder aanmeren, vandaar dat ik te vroeg ben’, verklaarde admiraal Johnson. ‘Dat betekend ook dat ik sneller weer vertrek, dus ik wilde niet wachten tot onze afspraak. Je ziet er goed uit Conrad.’

‘Dank u, moeder. Nog steeds op jacht naar ruimtepiraten?’

‘Helaas wel en zolang we van de Verenigde Aarde geen toestemming krijgen om orde op zaken te stellen op de Terra’s, blijft dat ook zo.’

‘Ik heb begrepen dat Terra 4 Aardse militairen heeft toegelaten.’

‘Klopt, maar Terra 2 en 5 geven openlijk steun aan de piraten. Het blijft dweilen met de kraan open.’

Admiraal Johnson zweeg en staarde Conrad aan. Het was haar manier om te laten blijken dat ze klaar was met de beleefdheden. Tijd voor Conrad om te komen met waar dit gesprek werkelijk om draaide. Hij wreef nerveus in zijn handen. Goed, daar ga ik.

‘Ik ben onlangs benaderd door een oud-studiegenoot van mij. Hij wees mij er op dat er wetenschappers gevraagd worden voor een onderzoeksmissie naar Terra 7, de zogenaamde paradijsplaneet. Ik heb me er voor aangemeld en ben door de eerste selectie gekomen. Ik ga eind deze week met mijn training beginnen.’

‘Terra 7? Ik heb inderdaad gehoord dat er nog zo’n ellendige kolonie bestaat.’

Conrad onderdrukte een zucht. Hij wist dat hij weinig interesse van zijn moeder kon verwachten, maar het was altijd weer naar om dat bevestigd te zien.

‘Er is 500 jaar geen contact geweest met deze kolonie. Het is best mogelijk dat het op deze planeet wel gelukt is een vreedzame samenleving te vormen. Bovendien wil ik graag onderzoek doen.’

‘Ik dacht dat je niet wilde ruimtereizen en daarom op dit ruimtestation bleef werken’, merkte zijn moeder op. ‘Onderzoek kun je ook doen in het Aardse leger. Ik heb zo een plek voor je.’

Dit keer liet Conrad wel een zucht ontsnappen. ‘U weet dat ik geen militair wil zijn.’

‘Dat vertel je me keer op keer, maar ik snap nog steeds niet waarom en nu helemaal niet’, zei Admiraal Johnson streng. ‘Het leger heeft veel meer mogelijkheden dan een wetenschappelijk missie. We hebben op dit moment een tekort aan technologie specialisten. Ik heb zelfs op mijn schip een tekort. Eerst wilde je een carrière als atleet, daarna ging je pas studeren en als laatste ben je je tijd aan het verdoen op dit station. Genoeg. De Aarde heeft je nodig, Conrad. Het is tijd om net als de rest van ons gezin je plicht te vervullen.’

‘Om vervolgens net als Gaia ergens in het luchtledige van de ruimte te eindigen.’

‘Dat is juist een reden! Zo dat jouw zus niet voor niets gestorven is.’

Het is weer hetzelfde liedje. Conrad staarde naar zijn moeder en net als altijd voelde hij zich mijlenver van haar verwijderd. Zijn moeders manier van het verwerken van de dood van zijn zus was om nog harder te werken en nog meer ruimtepiraten op te jagen. Hij was met de 8 jaar oudere Gaia opgegroeid in een internaat voor kinderen van militairen bij de ruimtepoort van Phoenix en had daar een leuke jeugd gehad. Zijn moeder zag hij toen een paar keer per jaar en ze gingen zelfs één keer per jaar samen op vakantie. Sinds de dood van Gaia, bijna 10 jaar geleden, was het al veel als ze elkaar één keer per jaar persoonlijk zagen. Meestal bestond het contact uit korte berichten en bijna altijd deden die er meer dan een dag over om aan te komen.

Zou het anders zijn geweest als ik een vader had gehad? Zijn biologische vader was niet meer dan een zaaddonor, iemand die zijn moeder nog kende van hun tijd op de militaire academie. Zijn moeder had vooral uit plicht twee kinderen gekregen, als bijdrage aan het in stand houden van de menselijke populatie op de Aarde. Plicht was heel belangrijk voor Admiraal Hailey Johnson. Belangrijker dan het hebben van een relatie met een partner of met haar kinderen. En Conrad had daar genoeg van.

‘Hailey’, hij noemde zijn moeder bewust bij haar voornaam. ‘Ik heb geen zin meer in deze discussies en wil ze ook niet meer voeren. Ik zal nooit voor een militaire carrière kiezen, omdat ik er van overtuigd ben dat geweld uiteindelijk niets oplost. Ik kies mijn eigen weg en deze wetenschappelijk missie is mijn manier om iets te betekenen voor de mensheid. Niet alleen op Aarde, maar ook daarbuiten. Toen ik hoorde dat je aan zou meren, heb ik je uitgenodigd om je dit persoonlijk te vertellen. Niet om je toestemming te vragen.‘

Admiraal Johnson keek Conrad strak aan en hij moest zijn best doen om niet van haar weg te kijken. Ze mocht dan een heel bataljon soldaten in het gelid krijgen met die blik, hij zou dit keer niet voor haar buigen.

Conrad had geen idee hoe lang ze zo tegenover elkaar bleven zwijgen, maar ineens stond zijn moeder op. Ze trok kordaat haar jasje recht, liep op hem af en gaf hem een zoen op zijn wang.

‘Succes’, was alles wat ze zei. Ze draaide zich om, liep in een rechte lijn de eetzaal uit terwijl iedereen nog snel ging staan, zonder naar Conrad om te kijken.

Pas nu realiseerde Conrad zich dat hij zijn adem had ingehouden en hij ademde rustig uit en weer in. Het zou hem niets verbazen als dit de laatste keer was dat hij zijn moeder in levende lijve had gezien en het bracht hem meer van zijn stuk dan hij had gedacht. Waar ga ik in vredesnaam aan beginnen?

Als het allemaal moeite kost

Ik ben de laatste tijd niet zo actief op mijn website of via Facebook. Dat komt omdat alles (en dan ook werkelijk alles) mij moeite kost op dit moment.

Ik kan me niet concentreren, vergeet snel dingen, kom slecht uit mijn woorden en heb regelmatig allerlei lichamelijke klachten als hoofdpijn, slechter zien, buikpijn en spierpijn. Daarnaast ben ik altijd moe, vanaf het moment dat ik opsta. Gelukkig ben ik niet depressief, want daar zorgt medicatie wel voor.

Ik heb vaker dit soort periodes gehad en ben nooit een energiek persoon geweest (ook als kind niet), maar de laatste paar jaar is het erger geworden. Ik doe mijn best er mee om te gaan en heb recent ook weer de hulp van een psycholoog ingeschakeld.

Het is ongelofelijk frustrerend. Het is iedere dag weer een afweging maken wat je wel en niet doet en balans zoeken tussen wat moet (boodschappen doen) of wat je graag wil (paardrijden). Ook weiger ik me helemaal uit het leven terug te trekken, dus ik ga wel naar festivals voor de promotie van mijn boek (ook al ben ik daarna een aantal dagen tot niets in staat).

En ik blijf schrijven aan mijn 2e boek. Vraag me niet hoe, want zelf weet ik het ook niet. Soms kom ik niet verder dan 1000 woorden op 1 dag en daardoor gaat het langzaam (want iedere dag schrijven lukt niet altijd). Het is gewoon voor die computer zitten in mijn werkkamer (geen geluiden of mensen om mij heen), terug lezen wat je eerder hebt geschreven (een hele opgave met weinig concentratie), de verhaallijn erbij pakken en gaan.

Schrijven helpt, ook als het moeite kost. Ik ben op dat moment weer even de personages uit mijn boek op Terra 7. Ik voel hun emoties en zie voor mijn ogen als een film wat er zich afspeelt. En ook nu vallen nog steeds dingen op hun plek in dit verhaal dat ik 26 jaar geleden verzonnen heb. Dat geeft echt een kick.

Dus ik aanvaard de frustratie en de pijn in mijn lijf en schrijf. Langzaam, maar gestaag komt boek 2 Het Huis van de Roos er aan.

 

Nieuwe personages

In het tweede deel van Terra 7 volg je Conrads reis naar het noorden. Het betekent een kortstondig afscheid van Virginia, Dion, Zania en Kyril die we weer terug zien in deel drie.

In deel twee Het Huis van de Roos leren we Conrad, oudste van de Aardse wetenschappers en technologiespecialist, veel beter kennen. Nieuw zijn verzetsstrijdster Bridget (half Nard, half Afraans) en Duncan, Afraanse edele uit het Huis van de Roos. Hieronder leer je ze kennen aan de hand van een favoriete bezigheid uit hun verleden:

Conrad:
Ik plaats mijn handen voor mij en voel het ruwe oppervlak van de gravelbaan onder mijn vingertoppen. Mijn voeten staan in de startblokken. Hoewel dit geen wedstrijd is, voel ik wel de opwinding die bij een start hoort. Ik breng mijn billen omhoog en zoek het juiste evenwicht met de grootste druk op mijn voeten. Ik haal diep adem. In mijn hoofd laat ik het startsignaal klinken en nog op het signaal zelf spat ik vooruit. Mijn passen niet te kort en niet te lang. Ritme zoek ik en ritme heb ik. De wind suist in mijn oren en mijn ogen tranen. Mijn borst gaat snel op en neer als mijn longen zich vullen en ik de lucht weer uitblaas. Mijn hart bonst en pomp de zuurstof naar mijn spieren die steeds meer en meer verzuren. De laatste paar meters doen pijn, maar het is pijn dat ik verwelkom, want daar is de eindstreep. Dit was een snelle 100 meter, ik weet het zeker.

Bridget:
‘Vuur maken kost tijd’, legt papa mij uit. Ik slaak een diepe zucht. Ik draai en draai en draai maar aan het stokje, maar geen vuur. Het wil niet en het gaat me toch niet lukken, dus boos laat ik het uit mijn handen vallen. Papa gaat achter me zitten en ik ontspan meteen. Hij pakt mijn handen en samen doen we het nog een keer. Door zijn hulp blijft het stokje dat ik draai, veel meer op zijn plaats en ik ruik een brandlucht. Papa pakt snel het plukje houtvezels en legt het tegen het draaipunt aan.
‘Nu eerst weer draaien en dan blazen.’ Ik draai op de manier die papa mij net voordeed. De brandlucht wordt sterker. Ik blaas en ineens is er een prachtig geel vlammetje te zien in het plukje vezels. Als betovert staar ik er naar. ‘Goed gedaan meid’’, prijst papa mij. Hij houdt zijn handen beschermend om het vlammetje en samen brengen we het naar de houtvezels dat tussen het door ons geraapte hout ligt. Al snel vat het vlam en niet veel later warmen we ons aan het vuur.

Duncan:
Met mijn hand strijk ik eerst langs de klep van de vleugel, voordat ik die open doe. Ik weet niet waarom precies, maar ik geniet altijd als mijn vingertoppen de nerf van het hout voelen. Misschien wel omdat dit een Aardse vleugel is, gemaakt met Teraxaans hout.
Ik plaats mijn handen gedachteloos op de toetsen. Wat zal ik gaan spelen? Ik lach als ik zie dat ik bijna automatisch mijn vingers in de juiste positie heb gezet voor de ‘Mondscheinsonate’ van Beethoven en ik begin te spelen. Ik hou van de kalme klanken van dit stuk. De rust die er in zit en het kalme stijgen en dalen van de melodie. Altijd als ik dit speel, moet ik denken aan de Aarde voordat de mens het vernietigde. Die oude wereld waar mijn voorouders ooit leefden. Een wereld waar ‘s nachts slechts één maan je pad verlichtte.