Collega’s

Zijn andere auteurs je collega of je concurrent?

Ik heb zelf nooit getwijfeld over het antwoord: collega. Lezers lezen immers veel meer boeken dan ik ooit kan schrijven en hoe meer ze mijn genre (sciencefiction en fantasy) ontdekken, hoe beter dat is. De kans is dan groter dat ze ook een keer mijn boek lezen.

Het Nederlandse taalgebied is relatief klein (Nederland en Vlaanderen) en binnen dat gebied lezen ook nog veel mensen in een andere taal: vooral Engels, maar ook Frans en Duits. Nederlanders lezen veel. We staan op nummer 2 van Europa. Acht op de tien Nederlanders lazen in 2018 een boek, waarvan drie op de tien dagelijks. Het liefst lezen we spannende boeken, daarna literatuur en het informatieve boek (bron: KvB Boekwerk & GfK, 2018, meting 43). Al met al schrijven auteurs dus voor een grote groep.

Op een beurs verkoop ik met veel plezier de boeken van de andere auteurs. Elk verkocht boek versterkt de uitgeverij en maakt het waarschijnlijker dat er geld is voor mijn volgende boek. Natuurlijk vind ik het het leukst als iemand mijn boek koopt (en ik mag signeren, iets wat als een echte eer blijft voelen), maar ik realiseer me ook dat nog steeds veel mensen een beetje huiverige zijn voor sciencefiction.

Die onbekendheid met sciencefiction is een van de redenen waarom ik samen met twee andere schrijvers (Johan Klein Haneveld, uitgegeven bij Macc en Godijn Publishing en Johan Bakker, uitgegeven bij Zilverbron) SF promoot bij boekhandels d.m.v. een lezing, een discussie en met muziek. Het is meteen een mooi voorbeeld van hoe je elkaar als collega’s kunt versterken.

Een ander voorbeeld daarvan is dat twee schrijvers van Celtica Publishing (Patty van Delft en Jeffrey Debris) mij helpen met mijn tweede boek door proef te lezen. Peter Varg deed dat eerder bij een kort verhaal. Auteurs geven feedback op bijvoorbeeld een achterflaptekst en delen schrijftips met elkaar tijdens evenementen. Zo is er echt spraken van een “team Celtica”.

Om een betere schrijver te worden, ben ik lid geworden van een schrijfgroep met andere auteurs. Sommige hebben al een boek gepubliceerd, anderen werken er nog aan. Onder leiding van Elly Godijn (jawel, van Godijn Publishing) geven we feedback op fragmenten van elkaars werk en doen we schrijfopdrachten. Daarbij is het extra interessant dat het om verschillende genres gaat.

Is er dan helemaal geen sprake van concurrentie? Natuurlijk wel. Tijdens een evenement heb je toch het liefst dat ze naar onze kraam komen. Verder is het altijd onverstandig om met collega’s over verkoopcijfers te praten. Daarnaast zijn de meeste auteurs gepassioneerde persoonlijkheden en dus wordt er wel eens op tenen getrapt, ontstaan er oeverloze discussies of onenigheid over bijvoorbeeld recensies. Auteurs, het zijn net mensen…

Deze column is verschenen in Celtica’s Magazine van mei 2019.

Het wonderlijke leven van personages

Het is het meest bijzondere aan schrijven: het tot leven brengen van personages.

Vaak zijn zij waar het verhaal voor mij mee begint. Als schrijver zit je in het hoofd van al die entiteiten, want het zijn lang niet altijd mensen als je in het fantastische genre schrijft. Artifical Inteligence, een buitenaards wezen, een persoon met bijzondere gaven, een elf, een kwaadaardige geest; het kan allemaal. Of ze ook echt gaan leven hangt af van de eigenschappen die je hen geeft. Welk karakter hebben ze? Wat is hun achtergrond en wat hun motivatie om de dingen te doen zoals ze ze doen?

Om mijn personages tot leven te brengen, bedenk ik vaak veel meer om ze heen dan ik uiteindelijk in het verhaal zelf beschrijf. Een personage heeft achtergrond nodig. Ik bedenk waar ze geboren zijn, hoe hun jeugd was en welke ervaringen ze hebben opgedaan voor hun avontuur begint in het verhaal waar ze een rol in spelen. Bij personages die een hoofdrol spelen is dat vrij uitgebreid, bij kleinere rollen heel summier.

Vooral bij de slechteriken is het goed te bedenken waarom iemand tot slechte daden overgaat. Is het hebzucht, wraak, een stoornis? Waarom is iemand wreed? Kan ik mezelf voorstellen waarom ik een ander pijn wil doen of zelfs een heel volk wil uitmoorden? Het betekend ook dat je naar de duistere kanten van jezelf durft te kijken. Want ook al heb je zelf het morele beseft dat wat het personage doet slecht is, toch is het mijn creatie en daarmee mijn eigen donkere fantasie. Ik ben degene die dit kwaad los laat in de wereld die ik gemaakt heb.

Waar je voor op moet passen zijn je eigen vooroordelen. Waarom maak ik iemand een man of een vrouw? Wat is zijn of haar geaardheid? Zijn alle elfen goed en alle orcs slecht? Ziet een buitenaards wezen er ongeveer net zo uit als wij of kan dat ook heel anders zijn? Het mooie van het schrijven van fantasie is juist dat het je dwingt om buiten de bekende paden te wandelen.

Als personages eenmaal vorm hebben gekregen, gaan ze leven en soms ook een eigen leven lijden. Dat is het meest wonderlijke aan schrijven: dat je verrast wordt door je eigen personages en verhaal. Ze doen soms net even iets anders dan aanvankelijk gedacht en als je dat laat gebeuren, weet je ook dat het klopt. Dingen in je verhaal vallen er door op zijn plek. Jammer voor je verhaallijn of van die mooie scene die je verder in het verhaal verzonnen had. Het moet aangepast of er uit. Soms vraag ik me wel eens af of ik als schrijver wel de baas ben over mijn eigen creaties…

Deze column is verschenen in Celtica’s Magazine van april 2019.

Bridget

In deel 2 van de Terra 7 trilogie Het Huis van de Roos maak je kennis met Bridget, een verzetsstrijder van het Noordelijk Verzet.

Ze is een van die personages die aanzienlijk complexer is geworden tijdens het opnieuw schrijven van het manuscript. Bridget is een sterke vrouw die door haar werk en ervaringen voor het verzet ook beschadigd is geraakt. Ze is van gemengde afkomst: haar moeder is Afraans en haar vader Nard. In de sterk gepolariseerde samenleving op Terra 7 worden ze bastaards genoemd en vaak gediscrimineerd. Veel bastaard sluiten zich aan bij het Verzet, omdat daar officieel geen onderscheid gemaakt mag worden op basis van je geslacht, afkomst of geaardheid. De werkelijkheid is weerbarstig.

Deze anekdote over Bridget op de markt in de Nardse hoofdstad Lina geeft je een idee van wie ze is:

En weer negeerde de groenteverkoper haar. Het was dat deze kraam als enige in Lina vers zweefblad verkocht, anders was Bridget wel naar een ander gegaan. ‘Vuile dulak*’, mompelde ze binnensmonds. Het was wel duidelijk dat deze Nard niets van bastaards moest hebben. Alsof ze minder mens was met een Afraanse moeder en Nardse vader.

Zweefblad. Ze wist dat ze er niet teveel van moest gebruiken, maar het was het enige dat haar nog een gevoel van ontspanning gaf. Met zweefblad verdween de knoop in haar maag, de pijn in haar schouders en hoefde ze even niets te voelen. De drug hield haar op de been, hoe tegenstrijdig dat ook was. Als ik mezelf weer ben, stop ik er mee.

Toen de verkoper klaar was met zijn klant en weer een ander wilde helpen, sprong Bridget ervoor. De Anatoolse zette van schrik een stap op zij.

‘Ik ben nu aan de beurt.’

‘Je wacht maar bastaard’, zei de man.

‘Ik wil een zak zweefblad, hoeveel kosten ze?’

‘Vijftig dollar.’ De grijns op het gezicht van de man maakte het maar al te duidelijk dat dat een veel te hoge prijs was voor zijn waar.

‘Je krijgt tien’, zei Bridget en ze zorgde ervoor dat terwijl ze haar geld pakte, de man haar energiepistool kon zien. Ze wachtte verder niet af, griste een zak zweefblad van de kraam en liep weg. Vuile dulak.



* Een dier dat ruikt naar rottend vlees, omdat het leeft van de insecten die het daarmee aantrekt.

De Nederlandse taal

De Vrije Universiteit in Amsterdam stopt na honderd jaar met de bachelorstudie Nederlands, stond onlangs in de krant.

Naar mijn idee past het bij andere zaken die mij opvielen het laatste jaar. Zoals mijn neefje die Spaans studeert in Nederland en in het Engels les krijgt of een winkelstraat in Den Haag met alleen maar teksten in het Engels op de ruiten (alsof een buitenlander pas ziet dat het om een bakkerij gaat als er bakery op staat). Ook hoor ik achter de boekenkraam regelmatig van lezers dat ze alleen maar in het Engels lezen.

Waarom hebben Nederlanders zo weinig op met hun eigen taal? Ik geef toe, het is geen gemakkelijke taal. Veel onregelmatigheden en met mijn dyslexie worstel ik er dagelijks mee. Toch is het wel de taal waar ik me het beste in kan uiten. Het is een belangrijk onderdeel van wie ik ben, van mijn identiteit. Waarom dan toch alles in het Engels?

Engels is een prachtige taal. Helaas heb ik geen talenknobbel, want ik had graag nog meer talen willen beheersen. Als ik in een ander land ben doe ik mijn best om basisbeleefdheidsvormen uit te kunnen spreken, zoals de lokale equivalent van goedemorgen of dankjewel. Ik koop vaak een talenboekje en vind het leuk dat door te bladeren. Het hoort bij de lokale sfeer proeven. Taal is een onderdeel van de cultuur van een land.

Ik ben er helemaal voor dat we al jong een tweede taal leren, maar niet dat dat ten koste gaat van onze eigen taal. Prima als je Engelse boeken leest (lezen is altijd goed), maar er is ook veel moois in het Nederlands. Ik heb ooit gehoord dat SF in het Nederlands niet kan, maar dat is echt onzin. Waarom niet gewoon wormgat in plaats van wormhol? En ja, ik zie scenes vaak voor me in het Engels (ongetwijfeld door de vele Engeltalige films), toch beschrijf ik die scenes het beste in het Nederlands.

Kunnen we de teloorgang van de Nederlandse taal stoppen? Volgens mij begint dat bij het onderwijs. Dat Internationale studies in het Engels zijn, lijkt me logisch, maar doe dan de overige studies gewoon in onze eigen taal. Maak het vak Nederlands weer leuk door veel meer aandacht te geven aan schrijven en het lezen van boeken van Nederlandstalige schrijvers die een leerling echt interessant vindt. De verplichte leeslijst de deur uit en meer oog voor fantastische boeken. Het merendeel van Netflix is tegenwoordig SF/fantasy, dan lijkt het me dat er toch ook genoeg belangstelling moet zijn voor boeken binnen dat genre. En bij het lezen van een boek, maak je je eigen film in je hoofd. Daar kan Netflix echt niet tegenop.

Deze column is verschenen in Celtica’s Magazine van maart 2019.

Een nieuw verhaal

Ik kan niet goed uitleggen hoe het werkt. Opeens is het er: een nieuw idee voor een verhaal. Soms zo complex dat het wel een boek moet worden, een andere keer niet meer dan één scène.

Als het eenmaal in mijn hoofd zit, moet het er uit. Het kan zelfs het verhaal waar ik op dat moment aan werk in de weg zitten. Er zit dan niets anders op dan het idee op te schrijven. Het kan zelfs nodig zijn om ook een deel van de tekst uit te werken. Pas daarna kan ik het parkeren en weer verder met waar ik mee bezig was. Als ik dat laatste niet zou doen, zou ik nooit iets af maken.

Het zijn vrijwel altijd fantastische verhalen. Dat is blijkbaar hoe mijn geest werkt. De vraag “wat als?” speelt altijd een grote rol. Wat als je geest nog kan blijven ronddwalen na je dood, zou je dan nog iets voelen? Of als je de navigatie in je auto zo slim maakt dat het een eigen leven kan leiden? Wat als er parallelle werelden zijn, in welke zou ik dan willen leven? Zijn mensen instaat om zonder oorlog samen te leven? Hoe ziet een buitenaarts ras er uit?

Wat ik ooit gezien of gelezen heb, heeft invloed. Ik ben dol op fantasierijke films, series en boeken en heb er al aardig wat verslonden of bekeken. Ze hebben veel overeenkomsten en nog steeds verschillen. Dat laatste is best opmerkelijk als je bedenkt hoeveel er al is geschreven of gemaakt. In mijn eigen werk is het werk van anderen terug te vinden, maar wel met mijn twist. Het zijn immers mijn vragen waar ik zelf een antwoord op verzin. Je kunt best iets lenen van een ander (bijvoorbeeld het gebruik van ruimtevouwen of wormgaten om snel door de ruimte te reizen), maar ik gebruik het binnen de context van mijn verhaal (de unieke wereld van Terra 7).

Ik zit in een schrijversgroep. We komen één keer in de zes weken bijeen en leren van elkaar. Ik ben de enige die SF/fantasy schrijft. Veel van de andere deelnemers hebben nog nooit een boek in die stijl gelezen. Inmiddels krijg ik regelmatig, na het lezen van mijn teksten, de opmerking terug dat het net mensen uit deze tijd zijn. Dat is ook zo. De basis ligt altijd in de echte wereld, de fantasie is daar een reflectie van.

Goedbeschouwd is ieder boek en elk verhaal een wonder. Dat geldt voor alle vormen van fictie, maar in het bijzonder voor het fantastische genre. Dat is goed terug te vinden in de boeken van Celtica Publishing. Als lezer is ieder boek weer een portaal naar een andere en nieuwe wereld. Dat is precies waarom ik er zo dol op ben. Even lekker weg in je eigen hoofd.

Deze column is verschenen in Celtica’s Magazine van februari 2019.

Schrijver?

Kun je schrijver zijn als geschreven taal lastig voor je is?

Er is tekst dat ik niet kan lezen. Lange zinnen met veel informatie komen niet bij me binnen. Pas na een paar herhalingen heb ik een idee van wat er staat. Als ik voor mezelf de zin in stukjes heb gebroken en de essentie er uit heb gehaald. Een boek vol met dat soort zinnen lees ik niet.

Geschreven taal is voor mij een uitdaging. Waar anderen zien of een woord goed of fout gespeld is, zie ik dat niet. Ik moet de regeltjes blijven toepassen. Lastig, want ik heb moeite met onthouden. Bovendien hebben woorden de neiging om “zich niet te laten zien.” Ik weet welk woord ik wil gebruiken, maar kan mij niet herinneren hoe je het schrijft. Het lezen zelf kost mij meer tijd, alsof ik altijd een extra stap moet zetten om te begrijpen wat er staat. Een grote lap tekst kan daarom overweldigend zijn.

Een van mijn vroegste herinneringen was dat ik in het dagboek van mijn moeder keek. Ik was op de stoel geklommen van haar bureau en keek naar haar handschrift in dat boekje en wist: eens kan ik dit ook. Kan ik dit lezen en zelf mijn verhaal schrijven. Ik was twee jaar en de behoefte om te kunnen begrijpen wat daar stond was zo groot, dat ik het onthouden heb. In mijn babyboek schreef mijn moeder dat ik van lezen hield, ook al deed ik maar alsof. Pas op de lagere school was het zo ver en het ontrafelen van die prachtige tekens bleek een enorme opgave. Die eerste klas was een hel.

In de tweede klas had ik een lerares die heel anders met taal omsprong. Ze las geregeld voor en spoorde de kinderen aan zelf ook regelmatig te lezen. Thuis werd gelukkig veel voorgelezen. En ik hield van de verhalen. Ik zag in mijn hoofd wat er gebeurde, prachtig! Met mijn eigen fantasie ging ik er mee verder. Lezen werd leuk, ondanks de moeite die het me koste. Als ik een opstel schreef, was mijn spelling vreselijk, maar mijn verhaal goed.

Mijn vader spaarde sciencefiction en fantasy boeken, dus toen ik er oud genoeg voor was ging ik die lezen. Boeken van Jack Vance, Tanith Lee, Stephen King, Frank Herbert en natuurlijk Tolkien. Ook voor Nederlands en Engels moest ik lezen. Engels ging mij makkelijker af dan het Nederlands, want in mijn eigen taal ontdekte ik dat er nog steeds tekst bestond waar ik niet doorheen kon komen. Het maakte dat ik weinig liefde voelde voor de Nederlandse literatuur. Gelukkig was onze leeslijst vrij lang en stonden er boeken op die wel lukte.

Ik verzon nog steeds verhalen: met tekeningen erbij en vol spellingsfouten. Toen ik begin twintig ziek werd en moest overleven ben ik uit het niets aan een boek begonnen. In negen maanden schreef ik het verhaal over de mensen op Terra 7.

In de jaren daarna schreef ik voor mijn werk: persberichten, websiteartikelen, brochures, beleidsnota’s, jaarverslagen. In mijn vrije tijd vooral liedteksten. Nog steeds met spellingsfouten, dus ik had altijd iemand nodig die corrigeerde. Pas na 25 jaar pakte ik het verhaal over Terra 7 weer op, herschreef het en zocht een uitgever. Dat werd Celtica Publishing.

Kun je een boek schrijven als je sommige teksten niet kunt lezen? Ja, dat kan. Met een berg trucjes (bijv. op de computer in A5 werken, want minder tekst op een pagina) en nog steeds de hulp van anderen. Mijn spelling is zelfs verbeterd door het vele oefenen. Verwacht alleen van mij geen hoogdravende taal, met lange zinnen en veel informatie. Ik word dan ook erg blij als ik een lezer hoor zeggen dat mijn boek zo makkelijk te lezen is. Een groter compliment is er wat mij betreft niet.

Deze column is verschenen in Celtica’s Magazine van januari 2019.

We zijn er bijna

We zijn er bijna. Ik werk aan de laatste hoofdstukken van Het Huis van de Roos. Als dat af is, heb ik het hele tweede boek opnieuw geschreven. Hoewel ik de originele verhaallijn blijf volgen, is het op veel punten een totaal ander boek dan de eerdere versie. Het blijft bijzonder om te ontdekken hoe een verhaal zich blijft ontwikkelen. Vooral omdat de karakters van de  personages groeien en hun wisselwerking om een ander verhaal vraagt. Conrad, Bridget en Duncan, de belangrijkste personages uit boek 2, heb ik nog beter leren kennen. Zaken die ik in de eerste versie niet zag, zijn ineens heel duidelijk en vallen op hun plaats. Het is het wonderlijkste onderdeel van schrijven.

We zijn er bijna, maar nog niet helemaal. Het verhaal mag er dan zijn, het boek nog niet. Een aantal hoofdstukken worden al gelezen door proeflezers en daar komt het laatste deel straks bij. Met die feedback ga ik herschrijven. Daarna volgt een ronde met mijn redacteur Anaïd Haen. Als laatste gaat mijn uitgeefster Rianne Lampers met een stofkam door de tekst om alle laatste foutjes er uit te halen.

Ondertussen werk ik met Joost Zwaan aan de cover voor dit boek. We hebben al iemand gevonden die model wil staan voor Conrad. Het concept is doorgenomen en het logo (van een roos uiteraard) dat op de band staat is al gemaakt. Zo krijgt Terra 7 deel 2 Het Huis van de Roos steeds meer vorm.

Nee zeggen

Ik ben nieuwsgierig, leergierig en een optimist. Over het algemeen goede eigenschappen die verschillende keren in mijn leven goed van pas kwamen. Tegenwoordig zijn deze eigenschappen mijn valkuil.

Ik heb altijd ideeën en vind heel veel leuk. In het verleden is ook gebleken dat veel dingen mij goed af gaan. Maar als je iets kunt en leuk vindt, wil dat nog niet zeggen dat je het moet doen. Daarnaast denk ik altijd in oplossingen. Wil het niet rechtsom, dan ga ik linksom. Wil dat ook niet, dan desnoods dwars door het midden. Maar wat als iets niet doen de beste oplossing is? Wat als het gewoon beter is om nee te zeggen?

Ik heb heel vaak nee moeten zeggen de laatste paar jaren. Nee tegen mijn werk dat ik heel erg leuk vond, maar niet meer vol kon houden. Nee tegen zingen met de bigband, omdat ik het niet meer red om ’s avonds te repeteren. Nee tegen een verzorgpaard, omdat ik de energie niet heb. Nee tegen vrienden, omdat ik te moe ben om met ze om te gaan. Mijn wereld is er een stuk kleiner door geworden.

Veel behandelingen van burn-outs gaan uit van het principe dat je balans moet zoeken tussen dingen die energie nemen en energie geven. Alleen bij mij werkt het niet zo. Alles kost energie, ook de leuke dingen. Alleen de niet-leuke dingen kosten meer. De dingen die niet zo leuk zijn, moeten wel gewoon gebeuren. Huishouden, boodschappen doen, koken, klussen. Het is een onderdeel van het gewone dagelijks leven.

Er zijn zaken waar ik ja tegen blijf zeggen. Belangrijkste zijn mijn gezin en familie, echte vrienden, mijn hond en kat, die ene keer in de week op een ochtend paardrijden en natuurlijk schrijven. Of schrijven wel of niet lukt is niet afhankelijk van mijn energieniveau, maar van mijn vermogen me te kunnen concentreren. Natuurlijk, als je moe bent is het lastiger om je te concentreren. Toch werkt het niet andersom; als ik energie heb, kan ik me vaak slecht concentreren.

Ik werk met een weekschema waarop ik mijn activiteiten verdeel. Het geeft houvast en helpt om dat kleine beetje energie dat ik heb goed te verdelen. Toch blijft het nodig om nee te zeggen, ook als het eerst ja was. Zo zou ik woensdag naar een school in Gouda om samen met Anaïd Haen les te geven over schrijven. Ik had er erg veel zin in, maar heb het af moeten zeggen. Niet leuk, maar noodzakelijk. Want soms win je iets door nee te zeggen, ook al voelt het als verliezen.

Moeder

In het 2e boek van de Terra7 trilogie speelt Conrad een hoofdrol. In Het groene kristal leerde je hem kennen, maar in dit verhaal lees je meer over zijn achtergrond.

Mensen om hem heen stonden op van hun stoel en dat deed ook Conrad opkijken. Zijn moeder kwam de eetzaal van het ruimtestation in: een prachtige Afro-Amerikaanse vrouw van in de zestig in een militair uniform. Haar statige houding was voor de meeste mensen al voldoende om te gaan staan, de vier sterren op haar schouders maakte het een vereiste. Conrad bleef als enige zitten en zijn moeder stapte met een stevige tred naar hem toe. Pas toen ze vlakbij was, stond Conrad op en kuste haar op de wang.

‘Moeder, ik had u niet zo vroeg verwacht’, verontschuldigde Conrad zich terwijl hij beleeft haar een stoel wees en die aanschoof zodra ze was gaan zitten. Het was het signaal voor de mensen in de eetzaal om ook weer te gaan zitten en snel klonk het normale geroezemoes van gesprekken om hen heen. ‘Kan ik iets te drinken voor je halen?’

‘Nee, dank je. De Cairo kon eerder aanmeren, vandaar dat ik te vroeg ben’, verklaarde admiraal Johnson. ‘Dat betekend ook dat ik sneller weer vertrek en ik wilde niet wachten tot onze afspraak. Je ziet er goed uit Conrad.’

‘Dank u, moeder. Nog steeds op jacht naar ruimtepiraten?’

‘Helaas wel en zolang we van de Verenigde Aarde geen toestemming krijgen om orde op zaken te stellen op de Terra’s, blijft dat ook zo.’

‘Ik heb begrepen dat Terra 4 Aardse militairen heeft toegelaten.’

‘Klopt, maar Terra 2 en 5 geven openlijk steun aan de piraten. Het blijft dweilen met de kraan open.’

Admiraal Johnson zweeg en staarde Conrad aan. Het was haar manier om te laten blijken dat ze klaar was met de beleefdheden. Tijd voor Conrad om te komen met waar dit gesprek werkelijk om draaide. Hij wreef nerveus in zijn handen. Goed, daar ga ik.

‘Ik ben onlangs benaderd door een oud-studiegenoot van mij. Hij wees mij er op dat er wetenschappers gevraagd worden voor een onderzoeksmissie naar Terra 7, de zogenaamde paradijsplaneet. Ik heb me er voor aangemeld en ben door de eerste selectie gekomen. Ik ga eind deze week met mijn training beginnen.’

‘Terra 7? Ik heb inderdaad gehoord dat er nog zo’n ellendige kolonie bestaat.’

Conrad onderdrukte een zucht. Hij wist dat hij weinig interesse van zijn moeder kon verwachten, maar het was altijd weer naar om dat bevestigd te zien.

‘Er is 500 jaar geen contact geweest met deze kolonie. Het is best mogelijk dat het op deze planeet wel gelukt is een vreedzame samenleving te vormen. Bovendien wil ik graag onderzoek doen.’

‘Ik dacht dat je niet wilde ruimtereizen en daarom op dit ruimtestation bleef werken’, merkte zijn moeder op. ‘Onderzoek kun je ook doen in het Aardse leger. Ik heb zo een plek voor je.’

Dit keer liet Conrad wel een zucht ontsnappen. ‘U weet dat ik geen militair wil zijn.’

‘Dat vertel je me keer op keer, maar ik snap nog steeds niet waarom en nu helemaal niet’, zei Admiraal Johnson streng. ‘Het leger heeft veel meer mogelijkheden dan een wetenschappelijk missie. We hebben op dit moment een tekort aan technologiespecialisten. Ik heb zelfs op mijn schip een tekort. Eerst wilde je een carrière als atleet, daarna ging je pas studeren en als laatste ben je je tijd aan het verdoen op dit station. Genoeg. De Aarde heeft je nodig, Conrad. Het is tijd om net als de rest van ons gezin je plicht te vervullen.’

‘Om vervolgens net als Gaia ergens in het luchtledige van de ruimte te eindigen.’

‘Dat is juist een reden! Zo dat jouw zus niet voor niets gestorven is.’

Het is weer hetzelfde liedje. Conrad staarde naar zijn moeder en net als altijd voelde hij zich mijlenver van haar verwijderd. Zijn moeders manier van het verwerken van de dood van zijn zus was om nog harder te werken en nog meer ruimtepiraten op te jagen. Hij was met de 8 jaar oudere Gaia opgegroeid in een internaat voor kinderen van militairen bij de ruimtepoort van Phoenix en had daar een leuke jeugd gehad. Zijn moeder zag hij toen een paar keer per jaar en ze gingen zelfs één keer per jaar samen op vakantie. Sinds de dood van Gaia, bijna 10 jaar geleden, was het al veel als ze elkaar één keer per jaar persoonlijk zagen. Meestal bestond het contact uit korte berichten en bijna altijd deden die er meer dan een dag over om aan te komen.

Zou het anders zijn geweest als ik een vader had gehad? Zijn biologische vader was niet meer dan een zaaddonor, iemand die zijn moeder nog kende van hun tijd op de militaire academie. Zijn moeder had vooral uit plicht twee kinderen gekregen, als bijdrage aan het in stand houden van de menselijke populatie op de Aarde. Plicht was heel belangrijk voor Admiraal Hailey Johnson. Belangrijker dan het hebben van een relatie met een partner of met haar kinderen. Conrad had daar genoeg van.

‘Hailey’, hij noemde zijn moeder bewust bij haar voornaam. ‘Ik heb geen zin meer in deze discussies en wil ze ook niet meer voeren. Ik zal nooit voor een militaire carrière kiezen, omdat ik er van overtuigd ben dat geweld uiteindelijk niets oplost. Ik kies mijn eigen weg en deze wetenschappelijk missie is mijn manier om iets te betekenen voor de mensheid. Niet alleen op Aarde, maar ook daarbuiten. Toen ik hoorde dat je aan zou meren, heb ik je uitgenodigd om je dit persoonlijk te vertellen. Niet om je toestemming te vragen.‘

Admiraal Johnson keek Conrad strak aan en hij moest zijn best doen om niet van haar weg te kijken. Ze mocht dan een heel bataljon soldaten in het gelid krijgen met die blik, hij zou niet voor haar buigen.

Conrad had geen idee hoe lang ze zo tegenover elkaar bleven zwijgen, maar ineens stond zijn moeder op. Ze trok kordaat haar jasje recht, liep op hem af en gaf hem een zoen op zijn wang.

‘Succes’, was alles wat ze zei. Ze draaide zich om, liep in een rechte lijn de eetzaal uit, terwijl iedereen nog snel ging staan, zonder naar Conrad om te kijken.

Pas toen ze de zaal uit was, realiseerde Conrad zich dat hij zijn adem had ingehouden en hij ademde rustig uit en weer in. Het zou hem niets verbazen als dit de laatste keer was dat hij zijn moeder in levende lijve had gezien en het bracht hem meer van zijn stuk dan hij had gedacht. Waar ga ik in vredesnaam aan beginnen?

Als het allemaal moeite kost

Ik ben de laatste tijd niet zo actief op mijn website of via Facebook. Dat komt omdat alles (en dan ook werkelijk alles) mij moeite kost op dit moment.

Ik kan me niet concentreren, vergeet snel dingen, kom slecht uit mijn woorden en heb regelmatig allerlei lichamelijke klachten als hoofdpijn, slechter zien, buikpijn en spierpijn. Daarnaast ben ik altijd moe, vanaf het moment dat ik opsta. Gelukkig ben ik niet depressief, want daar zorgt medicatie wel voor.

Ik heb vaker dit soort periodes gehad en ben nooit een energiek persoon geweest (ook als kind niet), maar de laatste paar jaar is het erger geworden. Ik doe mijn best er mee om te gaan en heb recent ook weer de hulp van een psycholoog ingeschakeld.

Het is ongelofelijk frustrerend. Het is iedere dag weer een afweging maken wat je wel en niet doet en balans zoeken tussen wat moet (boodschappen doen) of wat je graag wil (paardrijden). Ook weiger ik me helemaal uit het leven terug te trekken, dus ik ga wel naar festivals voor de promotie van mijn boek (ook al ben ik daarna een aantal dagen tot niets in staat).

En ik blijf schrijven aan mijn 2e boek. Vraag me niet hoe, want zelf weet ik het ook niet. Soms kom ik niet verder dan 1000 woorden op 1 dag en daardoor gaat het langzaam (want iedere dag schrijven lukt niet altijd). Het is gewoon voor die computer zitten in mijn werkkamer (geen geluiden of mensen om mij heen), terug lezen wat je eerder hebt geschreven (een hele opgave met weinig concentratie), de verhaallijn erbij pakken en gaan.

Schrijven helpt, ook als het moeite kost. Ik ben op dat moment weer even de personages uit mijn boek op Terra 7. Ik voel hun emoties en zie voor mijn ogen als een film wat er zich afspeelt. En ook nu vallen nog steeds dingen op hun plek in dit verhaal dat ik 26 jaar geleden verzonnen heb. Dat geeft echt een kick.

Dus ik aanvaard de frustratie en de pijn in mijn lijf en schrijf. Langzaam, maar gestaag komt boek 2 Het Huis van de Roos er aan.

 

1 2 3 4